Maandelijks archief: september 2012

Scotch terrriër in een koffiehuis (Jan van Nijlen)

Standaard

Hij zit zoo rustig in het koffiehuis
Op ’t smalle bankje lusteloos te geeuwen,
Als een die, overal en nergens thuis,
Tevreden is, tot aan het eind der eeuwen,

Met ’t leven dat hem nimmer heeft bedrogen,
Zijn blijdschap spreekt uit ’t kwisplen van zijn staart
En gansch de vriendschap van zijn listige oogen
Groeit tot een glimlach in zijn ruigen baard.

Hij werd als ik in ’t Paradijs geschapen
in wilden staat en ligt voor zijn plezier
Thans in dit zeer voornaam café te slapen…

Een eender lot? Neen, wat men ook vertelle,
Ik ben beschaafd en dit onmondig dier
Kan voor zichzelf niet eens een glas bestellen.

(Bron: De Muze en de dieren/CPBNB)

Sokken (Bies van Ede)

Standaard

Vreselijk, het lot van sokken.
Sokken zijn voortdurend kwijt.
Heb toch meelij met je sokken.
Weet je wel hoe zo’n paar lijdt?
Samen gaan ze in de wasmand,
samen in de wasmachien.
En de linker -of de rechter-
wordt daarna nooit meer gezien.

Al die sokken, ruw gescheiden,
wachten maanden op elkaar
in een la met soortgenoten,
worden zelden meer een paar.
Daarna worden ze verstoten:
in de vuilnisbak ermee.
Ach, wij zijn zo wreed voor sokken,
mensen hebben geen idee.

En dan al die zoeke sokken,
waar zijn die naartoe gegaan?
Zou er ergens in de wereld
een tehuis voor hen bestaan?

(Bron: Zin in onzin/Zwijsen)

Uitstellen (H. Bruining)

Standaard

’t Is middag. –
                            ‘k Heb mijn werk niet af,
Dat meester ons te maken gaf,
– Ik zal vanavond leren,
Dan is er tijd in overvloed
Ik kruip, wanneer het wezen moet,
      Wat later in de veren.

’t Is avond.
                            Och, wat ben ik moe,
Mijne ogen vallen bijkans toe
      En telkens moet ik gapen;
Ik doe mijn huiswerk morgenvroeg,
Dan is er vast nog tijd genoeg…
  – Wat zal ik lekker slapen!

’t Is morgen.
                            Hé! wat is ’t al laat,
‘k Hoor dat de klok halfnegen slaat,
      Het zal zó schooltijd wezen;
Was ‘k maar wat vroeger opgestaan;
Vanmiddag moet mijn werk gedaan,
    Of ik heb straf te vrezen.

’t Is middag
                            Wat is ’t kost’lijk weer!
Zó mooi as ’t nog geen enk’le keer,
    De zon schijnt door de ruiten,
De vogels zingen in het groen…
Nu moet ik al mijn werk nog doen…
  – Wat lijkt het heerlijk buiten!

Stil, komen daar mijn makkers aan?
Wel ja, die kunnen spelen gaan,
    Of wand’len, alle dagen…
Wat gaan ze doen? – O, ‘k dacht het wel,
Vlak voor mijn raam begint het spel,
    Dat is om mij te plagen.

Wat voor spel het worden zal?
Ha, kaatsen! – Sie, daar komt de bal…
    Och, wat zou ik hem raken?
Kom, rept je jongens! dat gaat goed…
Neen, misgeslagen…
                                                    En nu moet
    Ik al mijn werk nog maken.

(Bron: Gedichtjes voor kinderen III. Uit alle jaargetijden)

Eerste liefde (Michel van der Plas)

Standaard

Zeventien. – ’s Avonds viel voor ’t eerst een ster
voor je venster in drie wensen uiteen:
schittertranen op een wereld van steen.
Maak me mooi. Laat me beven. Breng me ver.

En de dagen werden opeens een strand
om blootsvoets op te dans. Nergens kon
een rok wijder staan dan jouw horizon,
en de appel zon trilde in je hand.

Maar je stelde de beet wervelend uit
voor het reiken naar lucht, vluchten van grond.

Ogen had je en benen; nog geen mond.
Adem was je en dorst; nog geen besluit.

De zee en één duin maar hebben je zien
uitduizelen: vogelvrij zeventien.

(Bron: Korte metten/Elsevier-Manteau)

Het kleine gedachtenhotel (Willem Wilmink)

Standaard

Naar Charles d’Orléans
(1391-1465)
L’hôtellerie de Pensée

Het kleine gedachtenhotel
vol van wie komen en gaan,
weet zich met elk te verstaan
in zijn beslommerd bestel.

Ja, gastvrij is het wel,
ieder wordt opengedaan,
het kleine gedachtenhotel
vol van wie komen en gaan.

Vrolijkheid is er in tel,
doet het herhaaldelijk aan,
soms ook ontvangt het de Waan
of de heren Kommer en Kwel,
het kleine gedachtenhotel.

(Bron: Dicht langs de huizen/Kosmos)

De sluier van mist (Peter Jaspers)

Standaard

Heb je ooit de stad gezien
in de mist, in de mist?
Heb je ooit een huizengevel
weg zien schuilen in de nevel?
Stond je nooit verbaasd te staren
naar een zilverbleke maan?
Was het niet de straatlantaren,
één minuut van je vandaan?

Heb je ooit een straat gezien
in de mist, in de mist?
Heb je ooit dat ene straatje
goed bekeken, als een plaatje?
Keek je nooit (je moest je schamen)
naar die sluier, teer als kant
en de glinsters bij de ramen
als een snoer van diamant?

Heb je ooit het land gezien,
in de mist, in de mist?
Heb je koeien in de weiden
in de wolken weg zien glijden?
Kéék je wel, toen paardebenen,
zomaar, voordat je het wist,
helemaal vanzelf verdwenen
in de slierten van de mist?

Ga je echt een keertje weg
in de mist, in de mist?
Ga de wereld es beleven
in een witte wolk geweven,
in een heel fijn kanten kleedje.
Je geniet ervan. Beslist,
Het is net een sprookje, weet je
in de sluier van de mist.

(Bron: De gouden bel/Baarn)

De vlinder (Mies Bouhuys)

Standaard

Een wijze oude tovervrouw
keek in haar toverglas,
omdat ze zo graag weten wou
hoe ’t met de mensen was.

‘Ach’, zei ze, ‘ach, ze lachen niet,
niet echt in elk geval.
Wat je ook op de wereld ziet,
zwartkijkers overal.’

Ze nam haar mantel van fluweel,
haar puntmuts en haar staf,
toen vloog ze op haar bezemsteel
recht op de hemel af.

Daar stond, zo rond als een beschuit,
de zon, vlak boven haar.
Ze sneed er snel een stukje uit,
zonder een mes of schaar.

Ze maakte van dat stukje zon,
– ze was toen terug in ’t bos –
een vlinder die echt vliegen kon.
’s Avonds liet ze die los.

Als nu de mensen somber zijn,
als iemand om iets treurt,
als iemand ruzie heeft of pijn,
let op, wat dan gebeurt.

Dan komt – je weet niet waar vandaan,
ze strijkt langs je gezicht –
opeens die gouden vlinder aan
en dan wordt alles licht.

(Bron: Vinger in de roet/Amsterdam)

Muizenvilla (Zr. M. Jozefa/J. Willems)

Standaard

Ik heb een aardig klein kasteeltje,
Een muizenvilla, mogen zien !
Het is een grappig, lief juweeltje
Met witte muisjes : méér dan tien !

De villa heeft een glazen schrijntje :
Zij is in triplex, mooi geverfd.
Veel venstertjes, maar géén gordijntjes;
Balkonnetjes zo fijn doorkerfd !

Een tuin met leuke speledingen,
Verschaft de muisjes heel wat pret :
Ze graven tunnels, -buitlen, springen :
Verstoppertje lijkt ’t liefst verzet.

Ze peuzlen aan het lekker broodje
En drinken klare muizenwijn.
Steeds op-en-neer gaat ’t wikke tootje,
Dat immer knapt en klapt in schijn.

’t Komiekste toch van al die toeren :
Wanneer door ieder venster plots
Een muizenkopje staat te loeren …
Tot ’t diertje wipt op dak of rots.

Ge moet er zélf eens gaan naar kijken,
En wellicht krijgt g’ een lachebui ! …
Doorwandel onz’ sinjoorse wijken,
Langsheen de Minderbroedersrui ! …

(Bron: Een versje voor elk leerjaar/Het Fonteintje)

Blootsvoets (Bart Moeyaert)

Standaard

In de zomer keert het huis
binnenstebuiten. Het zand
kruipt tussen onze lakens en
de lakens tussen de struiken.
We slapen in tenten die naar
winter ruiken en de stortbui
duurt, maar bang worden we
nooit. We hebben papa die
ons over zijn schouder gooit.
Ons bed wordt korter dan
de rest. De dagen worden
ouder. We lopen blootsvoets.
Zonder schoenen zien we
niet dat onze voeten groeien.

(Bron: Seizoensbrochure 2011/2012 De Maan, Mechelen)

Op weg naar Sint Petersburg (Gerrit Komrij)

Standaard

De mode hier is morgen mode daar
Dus zond Parijs zijn afgedragen goed
Gewiekst met schepen vol naar Zweden, waar
De pruik weer puik, de hoed

Weer prachtig stond. Ze waren daar een jaar,
Of meer nog, achter en dus dik tevreden.
Ze speelden het Parijse repertoire
Gewoon opnieuw, de Russen en de Zweden.

Eens zonk, zo wordt verteld, zo’n modeschuit.
En in hun netten vonden vissers later
Een kabeljauw in rok met Schotse ruit,

Een zalm in wit satijn, de hals zeer laag,
Een baars in baljapon; en door het water
Gleed traag een haai met een matrozenkraag.

(Bron: Alle gedichten tot gisteren/De Bezige Bij)