Maandelijks archief: oktober 2012

Een droevig spookje (Bert Deben)

Afbeelding

Advertenties

Mijn draakje… (Bert Deben)

Standaard

Mijn draakje wil de wereld zien
de breedte van zijn vleugeltjes
zo ver, zo wijd, zo afgelegen,
en heel lang weg van mij misschien

het kijkt doorheen het venster naar
de horizon, waar alles ooit begon
en roept dat het nog verder wil
geestdriftig springt het op en neer

ik lach, wat angstig in mijn hart
want weet dat op een keer
het huis hier veel te klein
en ik alweer alleen zal zijn…

dan springt mijn draakje op mijn schoot
en zegt: want later word ik heel erg groot!



Met een heel warm dankjewel aan Bert!

Het vlugste of het langzaamste (Karel Eykman)

Standaard

We doen, we doen
wie het langzaamst kan fietsen.
We doen, we doen
wie het vlugst slapen kan.
We doen, we doen
wie het langzaamst kan niezen.
Zo’n wedstrijd, zo’n wedstrijd
daar hou ik wel van.
Heeft er al iemand gewonnen?
Nee, we deden zo langzaam,
’t was nog niet begonnen.

We doen, we doen
wie het langzaamst kan vallen.
We doen, we doen
wie het vlugst kijken kan.
We doen, we doen,
wie het langzaamst kan ballen.
Zo’n wedstrijd, zo’n wedstrijd,
daar hou ik wel van.
Heeft er al iemand gewonnen?
Nee, we deden zo langzaam,
’t was nog niet begonnen.

(Bron: Op blote voeten door de nacht/De Harmonie)

Papa, waar ben je nou (geschreven door een kind dat zijn papa erg mist)

Standaard

Lieve papa, waar ben je nou?
Ik mis je, ik zoek je.
Ik loop mijn benen dood om jou te zoeken.
Plaats na plaats. Dorp na dorp.
Er komt geen einde aan.
Mama is al heel lang weg,
dus ik sta er in mijn eentje voor.
Ik wil niet meer alleen zijn,
ik wil jou niet alleen zoeken.
O papa, ik hoop dat je nog leeft.
Mijn fluit klinkt niet zo vrolijk meer
als ik er nu op speel.
De vrolijke klanken zijn uit de wereld verdwenen.
Ik wil je zien, ik wil je terug.
O papa, al leefde die man nog…
dan was je hier bij mij.
Lieve papa, waar ben je nou?
Kom snel terug, omdat ik van je hou.

Verdrietig kind, verdrietig gedicht (Toon Tellegen)

Standaard

Verdrietig kind,
verdrietig gedicht

Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

(Bron: Daar zijn geen woorden voor/Muntinga)

Rekenen op rijm (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Zeven zoete zuurtjes zaten in een fles
maar ééntje rolde in de goot. Nu zijn er nog maar…
Zes zoete zuurtjes. Daar kwam een heel oud wijf,
die heeft er eentje weggepikt. Toen waren er nog …
Vijf zoete zuurtjes. Toen kwam mijn nicht Marie,
die heeft er twee gekregen. Toen waren er nog …

Drie zoete zuurtjes. Toen kwam de kruidenier,
die bracht voor mij een zuurtje mee. Toen waren er weer …
Vier zoete zuurtjes, en toen kwam tante Mien,
die deed zes zuurtjes in de fles. Toen waren het er …

Tien zoete zuurtjes. Ik at ze op alleen.
Nu is het hele flesje leeg. Nou heb ik er geeneen.

Voetjes (Guido Gezelle)

Standaard

            Dit voetje
            en dat voetje
gingen te gare de kalvekes wachten.
De kalvekes liepen in ’t koren.
            Dit voetje
            en dat voetje
      ze liepen al zere voren.

            Dit voetje
            en dat voetje
zal ik te gare in het waterke wassen.
Het waterke zal ze spoelen.
            Dit voetje
            en dat voetje
      zullen in ’t water koelen.

Ze zullen zo rood als de rozekes blinken
            ze zullen zo wit als de melk zijn
      lijk bezekes onder de blaren.

(Bron: Een puit met hete pootjes/Bakermat)

Op zoek naar Gip Gap Gonië (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Er waren eens zeven meneren,
die wilden op zekere dag
zo vreselijk graag proberen
om gipgapgonisch te leren,
ze wisten alleen niet, ach!
waar Gip Gap Gonië lag.

Toen zijn ze dus alle zeven
maar in een klein bootje gegaan,
daar zaten ze dan en dreven
en wilden, zo mogelijk, even
dwars over de oceaan
naar Gip Gap Gonië gaan.

Daar zaten ze dan te turen
met kijkers in hun hand,
ze konden niet erg goed sturen
en dobberden uren en uren
en zagen nergens land,
maar water aan iedere kant.

Ze hadden een beetje hinder
van lichte regenval,
ze zagen hoe langer hoe minder,
toen zei er een: Kijk ginder,
is dat de vaste wal
van Gip Gap Gonië al?

Ze tuurden alle zeven
en staarden in het verschiet,
maar kinderen denk ’s even
wel heb ik van m’n leven
’t was Gip Gap Gonië niet!
Een walvis, zoals je ziet!

Die slokte ze zonder mankeren
naar binnen in zijn maag,
daar zaten de zeven meneren,
ze konden zich daar niet keren,
de zolder was veel te laag,
daar zaten ze tot aan vandaag.

Nu zag ik met eigen ogen
vandaag in Monnikendam
hoe daar een walvis op ’t droge
meneren heeft uitgespogen,
’t was of er geen eind aan kwam,
dat zag ik in Monnikendam.

Nu hebben ze alle zeven
hun plan maar opgegeven
en zullen dus nu misschien
nooit Gip Gap Gonië zien.

(Bron: Het fluitketeltje/Em. Querido)

… (Eddy van Vliet)

Standaard

Dirk had de langste piemel en Esther Williams
was de beste zwemster ter wereld
hierover was iedereen het eens.

Ik gleed uit mijn broek als een paling uit zijn vel
weerbarstig en doodsbenauwd in de vochtige cabine
De stemmen in het zwembad
waren op scherp gezet

De atleten gingen vooraan
de duikers sprongen over hen heen
Aan een oever van lichtblauwe tegels
floten wijdgebarende mannen

Ik had de keuze:
ofwel springen en met een bloedneus bovenkomen
ofwel rillend van de kou
mij schamen over mijn te dunne benen.

(Poëziecentrum 1992)

De kameel heeft een beha (Shel Silverstein)

Standaard

De kameel heeft een beha,
dat leek ons alleszins redelijk
de kameel heeft een beha,
want haar bulten waren onzedelijk.
Wij zijn van de Goede Zeden Bond
met het woord ‘aanstoot’ voor in de mond.
Straks breien wij ook nog een brok voor uw hond,
de kameel heeft al een beha.

De kameel heeft een beha,
dat leek ons volstrekt onvermijdelijk,
de kameel heeft een beha,
zelf denkt ze nog: dit is voor tijdelijk.
Ontzettend nauwlettend zien wij toe
op naaktheid, onkuisheid en vies gedoe.
Ons volgende slachtoffer is de koe,
de kameel heeft al een beha.

(Bron: Licht op zolder, vert. Willem Wilmink/Fontein)

De kraai in de zilveren kooi (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Er was eens een kraai, die praten kon.
Hij zat in een zilveren kooi.
Hij zei: Ziezo en hij zei: Pardon
en: Erretesoep en Nachtjapon.
Wat praatte die kraai toch mooi, oh!
Wat praatte die kraai toch mooi.

Hij trok met zijn baas door de ganse stad.
Die baas was een man met een baard.
De kraai zei: Fiets en hij zei: Dag schat.
De mensen riepen: Wat énig is dat.
Die kraai is een dubbeltje waard, oi!
Die kraai is een dubbeltje waard.

Dat hoorde de Graaf van Hoitierelier.
Hij was een nieuwsgierig man.
Hij sprak: Parbleu, een keuvelend dier?
Ik wens deze kraai ogenblikkelijk hier,
ik wil wel eens zien wat hij kan, pah!
Ik wil wel eens zien wat hij kan.

Daar kwam dus de kraai met kooi en al.
Zo zo, zei de graaf, ahá!
Wat mij betreft, steek nu maar van wal.
Ik ben zo benieuwd, wat ie zeggen zal!
Maar de kraai zei geen boe en gaan ba, nee!
De kraai zei geen boe en geen ba.

Hij keek naar de graaf op z’n dooie gemak.
Hij keek er het moois van af.
Toen deed hij zijn snavel open en sprak
alleen maar de woorden: Kale kak
en toen zweeg hij weer als het graf, oh!
En toen zweeg hij weer als het graf.

Dat was niet zo mooi, dat was niet zo mooi
voor de baas, de man met de baard.
Hij wachtte maar niet op zijn dubbeltje fooi,
hij vluchtte maar gauw met de kraai in z’n kooi
en de graaf was totaal van de kaart, ja!
De graaf was totaal van de kaart.

(Bron: Het fluitketeltje/Em. Querido)