Maandelijks archief: maart 2013

Vakantie (Armand van Assche)

Standaard

Vakantie!
De boeken dicht.
De wereld open.

Halsoverkop tuimel ik in het gras
zwier aan touwen van plezier
fietsen en ritsen reizen
holderdebolder op zolder
schommelen en rommelen
robbedoezen en roezemoezen
hop galop spattend sop.

Zo vrolijk
springt mijn hart
als een keitje
over de rivier.

Alleen vliegt vakantie zo snel
als een straaljager
voorbij.

(Bron: De zee is een orkest/Altiora)

Advertenties

Twee nachten (Hans Hagen)

Standaard

als alle mensen op de wereld
echt allemaal en tegelijk
dezelfde kant op lopen
tolt de aarde dan
iets sneller rond
en mijn hoofd wat minder
ik wil dat graag
omdat ik veel te lang moet wachten
tot ik je overmorgen weer zal zien
ik weet
twee nachten duurt twee nachten
maar het lijken er wel tien

(Bron: Maar jij/Querido)

Jij daar… (Ankie Peypers)

Standaard

Jij daar zei de bloemenman
de jongen keek op
andere mensen ook
de jongen weifelde
en liep door
vlugger
het was druk op de markt
het was niet te zien
of de bloemenman
hem nakeek
of hij hem bedoeld had
het rook naar meloen en vis
naar het oud testament
waarin soms op een markt
een jongen wordt aangezegd
dat hij profeet zou zijn
jij daar!

(bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Ballade van de pantippel (C. Buddingh’)

Standaard

De pantippel werk geboren
Op een mooie dag in mei,
Met een arendsneus van voren
En een ezelsoor opzij.

Toen hij nauwelijks dertien jaar was
Zond zijn moeder hem naar zee,
En omdat hij niet goed gaar was
Ging zijn vader met hem mee.

Op ‘De wijlen Christoph Wieland’
Monsterden zij monter aan,
Doch het schip is reeds voor Vlieland
In een noorderstorm vergaan.

’t Laatste wat de meeuwen zagen
Was een zachtgeel ezelsoor,
Flappend in de regenvlagen —
Toen ging ook dat oor teloor.

(Bron: Alle gorgelrijmen/Bruna)

Drie huilende uilen (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Waarom zitten ze zo te huilen,
deze zielige, oude uilen,
waarom zitten ze to te huilen in die boom?

Zijn ze bits en ontevreden?
Is hun tante overleden?
Of hun opoe, of hun opa of hun oom?

Is er een uilekind beneden
door een autobus overreden,
toen dat uilekind ging wandelen in het bos?

Waarom zouden ze dan toch huilen,
deze oude, dikke uilen,
ssst, ik zal het je vertellen: ’t Is de vos!

Heeft de vos hen dan gebeten?
Nee, hij kookt zijn avondeten
en hij maakt een uitje schoon, voor in de sla.

Strakjes zullen zij hun ogen
met een uilezakdoek drogen.
Is dit allemaal gelogen, denk je? Ja!

(Bron: Ziezo/Querido)

Als ik niet bang was (Mark Insingel)

Standaard

Als ik niet bang was

zou ik het durven

Als ik het zou durven

zou ik slagen

Als ik zou slagen

zou ik het kunnen

Als ik het zou kunnen

zou ik het willen

Als ik het zou willen

zou ik het kunnen.

Als ik het zou kunnen

zou ik slagen.

Als ik zou slagen

zou ik het durven.

Als ik het zou durven

dan was ik niet bang.

(Bron: Plint poëzieposter)

De kat van de buren (Harriet Laurey)

Standaard

De kat van de buren
Een katje met een grijze vacht
zat voor de huisdeur nummer acht.
En in de deur van nummer tien
liet zich een sneeuwwit katje zien.

Het katje met de grijze vacht
ging roerloos zitten gluren.
Toen had hij lang genoeg gewacht
en zei: O juist. Net wat ik dacht.
U bent de kat van de buren.

Het sneeuwwitte katje zweeg een poos
en keek alleen verwonderd.
Toen werd het langzaam, langzaam boos.
Maar voordat het een antwoord koos
telde het eerst tot honderd.

En eindelijk sprak het, bij honderd-elf:
De kat van de buren, dat bent u zelf.

(Bron: Een schelp aan je oor/Holland)

Het mannetje Regenpiet (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Dat mannetje dat je hier zo ziet,
dat is het mannetje Regenpiet.
Wat zeg je nu? Je kent hem niet? O ja, je kent hem stellig!
wanneer de wind een beetje draait
en weer eens uit het westen waait,
dan gaat dat mannetje huilen, want hij vindt het ongezellig.

Zijn tranen rollen naar omlaag,
dan komt er weer een regenvlaag,
wat regent het weer hard vandaag, we gaan een beetje schuilen.
Hier valt een drop en daar een drop,
zet nu je paraplu maar op,
het kleine mannetje Regenpiet is weer eens aan het huilen.

Maar draait de wind van west naar oost,
dan is het mannetje weer getroost,
dan kijkt hij ook niet meer zo boos, dan lacht hij je weer tegen.
Dan zitten wij weer in de zon
en drinken thee op het balkon,
en zeggen: Hè, gelukkig is het uit met al die regen.

Soms roep ik wel eens: Huil nou niet,
wees niet zo treurig, Regenpiet,
waarom heb jij toch zo’n verdriet, je moet je tranen stelpen!
Dan roept hij knorrig naar benee:
Sofie, bemoei je d’r niet mee,
ik huil nog wel een uur of twee, ik kan het heus niet helpen.

(Bron: Ziezo/Querido)

Het luchtkasteel (Paul Snoek)

Standaard

Ik wil, voor ik verander
in een kei, een mier
of een papaverbloem,
de schepper worden
van een luchtkasteel.

Ik zal de daken knippen
uit inpakpapier,
de kamers vouwen
uit vochtige kranten
en op de muren van muziekpapier
zal ik lachgezichten
voor de ramen schilderen
met metaalinkt.
In mijn slot zullen wonen
duiven van oud zilver.

Ik zal, voor ik verander
in een steen, een dier
of in een slingerplant,
de schepper worden van
een luchtkasteel,
want ik beschik
over de zachte handen
van een uitvinder.

(Bron: Gedichten 1954-1970)