Maandelijks archief: januari 2014

In het museum (Wiel Kusters)

Standaard

Ken je die schilder?
Dat is Pieter Bruegel.

Zie je die vogel?
Pijn aan zijn vleugel.

Zie je die paarden?
Strak aan de teugel.

Wil je een kauwgum?
‘Ik heb een beugel.’

(Bron: Het veterdiploma/Querido)

Advertenties

Mouches volantes (Vrouwkje Tuinman)

Standaard

Er is een drijvende wereld tegen het licht in
bewegende wezens. Kijk ik naar rechts
dan reizen ze mee, de bocht om tot ik
naar links daar zijn ze weer. Met mijn ogen
maak ik kindertekeningen, herschep
mijn erfenis. Verder is er niks. De grote
doos met foto’s, toestellen, zakken vol
met vieze lappen weggegooid. De roze
klaproos op de theezeef slechts een plaatje.
Eiwitten walsen voor mijn ogen. Alles plastic,
alleen mijn grote ronde hoofd is over.

(Bron: Receptie/Nijgh & Van Ditmar)

Weerzien op zolder (Ida Gerhardt)

Standaard

Wel te rusten. Vader Beer!
Het kind is hier vandaan.
Van al zijn spelen
en al zijn strelen
is haast je haar vergaan,
je lijf kaal tot de naden.
Het gaat op donkere paden
dat jij en ik niet weten
— om wat er met zijn liefde is gedaan.
Met ogen die niet meer bestaan,
Beer, zie mij niet zo aan.

(/Bron: Verzamelde gedichten/Athenaeum-Polak & Van Gennep, opgenomen in: Beregoed!/Novella)

Mooie woorden (Koos Meinderts)

Standaard

De dichter in zijn huisje,
natuurlijk bij de zee,
hij spaarde mooie woorden
die hij in een doosje deed.

Het doosje raakte vol
en de dichter raakte leeg.
Hij deed het doosje open,
de dichter voortaan zweeg.

Want de woorden kregen vleugels
en ze volgen ervandoor.
Ze vlogen in een mooie V
op zoek naar een gehoor.

In de takken van de treurwilg
of in een veld vol graan,
kun je, als je stil bent,
de woorden soms verstaan.

Ze zingen van de dichter
in zijn huisje aan de zee.
Hij spaarde mooie woorden
die hij in een doosje deed.

(Bron: En de woorden kregen vleugels/Lemniscaat)

Dierenbal (Peter-Paul Dirickx)

Standaard

De snotapen spelen tikkertje
De angsthaas is geen dikkerdje
Het stokstaartje staat te trommelen
Het hobbelpaard staat te schommelen

De uil leest dikke boeken
De nachtraaf blijf ik vervloeken
De steenezel stoot zich weer
De krokodil heeft een jas van leer

De haas kruipt uit zijn hol
De marmot lijkt op een trol
De dam wordt gebouwd door een bever
En de gans heeft last van haar lever

De fruitvlieg is een lichtgewicht.
En de tochthond doet de deur dicht.

Eén miljoenste (Edward van de Vendel)

Standaard

Half geboren
kon ik nog zoveel kanten op.
Mijn longen konden elke lucht,
mijn tong kon alle talen.
Verschillende verhalen
kon ik nog gaan geloven,
ik kwam net uit de oven.
Ik kwam net uit het badje
en ik wist niet van de tijdklok
op de stop
en ook niet dat ik weg zou spoelen
en dat het de bedoeling was:
één richting op.
Ik was een leeg ideetje
met een beetje vorm.
Ik was de hele wereld
in een bootje in een storm.
En nu
zit ik op zwemles
en vanwege regenweer
draag ik een gele regenjas.
Ik zit in Holland in een klas,
ik spring
in deze regenplas.
Ik ben niet alles meer.
Ik voel me
één miljoenste
van wat ik vroeger was.

(Bron: 111 kindergedichten om nooit meer te vergeten/Lannoo)

Erwtjes (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Toen ze een meisje was van zeventien
moest ze een hele middag erwtjes doppen
op het balkon. Ze wou de teil omschoppen.
Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.

Toen ging ze maar wat dromen, van geluk,
en dat geluk had niets van doen met erwten
maar met de Liefde en de Grote Verte.
Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk.

En dat is meer dan vijftig jaar terug.
Ze is nu zeventig en heel erg fit
en altijd als ze ’s middags even zit,
mijmert ze, met een kussen in de rug,

over geluk en zo… een beetje warrig,
maar het heeft niets te maken met de Verte
en met de Liefde ook niet. Wel met erwten,
die komen altijd weer terug, halsstarrig.

Ach ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien,
daar in mijn moeders huis op het balkon,
bezig met erwtjes doppen in de zon.
Dat was geluk. Toen was ik zeventien.

Bevroren tekstballonnen (Ted van Lieshout)

Standaard

Mama — ik zeg het maar weer zo in plaats van mam —
hoe moet het nu met mij, met jou?
Hoe erg is het als je geen oma wordt?

Ik kom niet thuis meer als het kind dat jij kent;
ik ben ineens een vreemde in de kou,
degene die het spel bederft.

Zoals ijs van water is, maar water niet van ijs,
zo voel ik vaste grond onder de voeten.
Nu moet ik oversteken voor het dooit.

Als in de winter krijgt mijn adem vorm:
bevroren tekstballonnen, gebeiteld in de lucht.
Afscheid van een ongesproken woord.

(Bron: Van verdriet kun je grappige hoedjes vouwen/A.W. Bruna & Zoon N.V.)

Reisopdracht (Riekus Waskowsky)

Standaard


en als je weggaat…

regen, er dreigt regen,
storm blaast zand
over de wegen,
men moet z’n ogen beschermen.
angstige vogels zwermen
boven het land.
de lucht is zwart.

…zeg langzaam:
Ik hou van regen.
Ik hou van storm.
Ik ben niet bang.

(Bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Er woonde in Jemeppe… (Daan Zonderland)

Standaard

Er woonde in Jemeppe
(een plaatsje dicht bij Luik)
Een graaf die Vlaams en Frans sprak
en bovendien nog buik.

Vlaams sprak hij met de boeren
En Frans met de pastoor.
En met zijn knechten sprak hij Vlaams
Met Frans er tussen door.

Doch buik sprak hij uitsluitend
In zijn studeervertrek,
Als hij behoefte voelde
Aan een intiem gesprek.

(Redeloze Rijmen/Het Spectrum)