Maandelijks archief: februari 2014

Lepeltjes in een doosje (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Twee lepeltjes in een doosje,
die lagen daar zoet en stil.
Ze lagen daar al een poosje,
de hele maand april.

Ze lagen daar maar te praten
met een heel verdrietig gezicht.
Ze voelden zich zo verlaten,
het doosje bleef altijd dicht.

Wie wil er met ons roeren
in koffie of in thee
of ’t kindje pap met ons voeren,
zo riepen ze alle twee.

En kwam er toen iemand? Ja zeker
en toen, toen mochten ze elk
roeren in een beker
met chocolademelk!

((Bron: Ziezo/Em. Querido’s Uitgeverij)

Advertenties

Wandeling (Francie van den Hurk)

Standaard

                                Ome Wim 22 november 1935 – 16 februari 2014

Hier in dit bos liepen wij;
hij met mannenpassen,
ik in huppeltjes, zondagsritme.
Voorzichtig een spinnentrui,
zei mijn vader.

Op deze kromme vork
van paden hield hij stil;
hier gaan we naar links.
Ik kreeg zijn hand, eeltig,
warm als zijn stem.

De huid van de eik
ruikt naar zijn tweedjasje;
sigaar in de mondhoek,
gebruikte zakdoek, meubellijm.
Ik heb nog twee pepermuntjes.

Dit nazomerlicht
met zijn brede schuine zonnestrepen
kleurde onze kruinen
en mijn nieuwe schoenen.
Rode mieren worden oranje.
Zondag wordt nooit donker, zei ik.

Als dit bos een geheugen heeft,
zal het zich geluk herinneren,
in zijn achterhoofd
de mensen die hier waren:
hij en ik, jij en ik.

(Bron: Naastenparade/De Harmonie)

Love for sale (Jan de Bas)

Standaard

Hij las in een gedicht
dat liefde te vergelijken
viel met kauwgom.

In een ander gedicht
leek het op drop.
In weer een ander
op een lolly.

Hij hield niet
zo van snoepen.

Toch kocht hij bij Jamin:
een pakje liefde,
een onsje liefde
en een hele grote liefde.

(Bron: Het vogeltje&het gevoel/Inholland, Hogeschool Rotterdam, Merweboek)

Bevroren plas (Hans Dorrestijn)

Standaard

Het vriest. We zijn aan ’t schaatsen.
We zijn aan ’t schaatsen en ’t vriest.
Twee ver vooruit. Ik ben de laatste.
Ik ben de eerste die verliest.

We schaatsen eerst nog met zijn drieën.
Een vriend erbij. Die is sportief.
Ik sta wankel op mijn knieën,
maar ging toch mee. Ik heb haar lief.

Het ijs is prachtig. Zwart als marmer
met hier en daar een parel wit,
uit verre streken en veel warmer.
Nu schaats ik een verloren rit.

De lucht is grijs. Het riet is oker.
Of lichtbruin? Er tussenin.
De vrieskou maakt me kettingroker.
Wat doet mijn vriend met mijn vriendin?

Ze zijn uit het zicht verdwenen.
En ik ben haar voor eeuwig kwijt.
Ik heb half bevroren tenen
en ik haat sportiviteit.

Ik sta stil en hoor de stilte.
Zij is voor mijn vriend gezwicht.
Het ijs weerspiegelt zonder kilte
een verliezer met een rood gezicht.

Hiervan zal ik nooit genezen.
Mijn hele leven in de prak!
Het is het beste om dood te wezen.
Hoera, hoezee! daar is een wak!

(Bron: Ik heb een kind dat ik wil houden/Bert Bakker)

De eendjes (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Kom, zeiden vanmorgen de eendjes ontroerd,
dat jongetje heeft ons zo dikwijls gevoerd,
we doen het nu anders, we draaien het om.
Nu gaan we het jongetje voeren. Kom!

Ze kochten wat boter, ze kochten wat brood,
ze hadden ook ieder een mand aan hun poot,
ze kochten wat muisjes en toen nog wat sjam,
en gingen naar ’t jongetje toe met de tram.

Het jongetje wou net de voordeur uitgaan,
toen hij daar op straat twintig eendjes zag staan.
Dag, jongetje, zeiden ze, ga maar naar binnen.
We komen je voeren; we gaan zo beginnen.

Toen moest hij gaan zitten. Hij kreeg een servet.
Ze sneden het brood en ze smeerden het vet.
Ze gaven hem stukjes van ’t brood om de beurt,
met sjam (appel-bessen) en muisjes (gekleurd).

Hè, zeiden de eendjes, wat leuk is dat nou,
je hebt ons gevoerd, nu voeren we jou.
Zo, zeiden de eendjes, nou heb je genoeg.
Kom jij eens ’n keer weer bij ons, ’s morgens vroeg?

(Bron: Ziezo/Em. Querido’s Uitgeverij)

Mijn broertje (Willem Wilmink)

Standaard

Ik heb een klein broertje met wit haar
en een grote snottebel
ik heb een klein broertje van twee jaar,
en ’t is een leuk ventje, dat wel.

Als-ie stout is krijgt-ie weinig straf,
want hij is ook nog zo klein.
Met mij loopt het dan wel ànders af:
ik moet verstandig zijn.

Hij begrijpt er nog zo weinig van
wanneer ik hem vertel
dat-ie niet met mijn speelgoed spelen kan,
maar ’t is een leuk ventje, dat wel.

Hij maakt wel ‘es dingen van me stuk,
en dat is niet zo fijn.
Maar het is ook nog zo’n kleine puk,
en ik moet verstandig zijn.

Hij zit aan mijn meccanodoos
en aan mijn voetbalspel,
en soms is het wel erg hopeloos,
maar ’t is een leuk ventje, dat wel.
Dat wel.

(Bron: Ik snap het/Bert Bakker)