Maandelijks archief: juni 2014

Het draaiorgel (David Tomkins)

Standaard

draaiorgel

Lange Jan en dikke Sien
Komen door de straat,
Met hun paardje voor de kar
Waarop ’t orgel staat.
“Ho”, roept Jan, het paard staat stil.
En dan vlak er na,
Gaat hij draaien en je hoort
Eensklaps tra-ra-ra.

Bellen klinken, trommels slaan,
Poppen buiten op
Zwaaien met hun arm de maat,
Draaien met hun kop.
Eén houdt de triangel vast,
Die maakt echt geluid;
Als ze tienmaal heeft getikt,
Is het liedje uit.

Als hij moe wordt, dan draait Jan
Met zijn linkerhand;
Dikke Sien haalt centen op,
Aan de huizenkant.
Of ik ook eens draaien mocht,
Heb ik laatst gevraagd,
Maar dan maak je Jan maar boos;
Hij riep: “Als je ’t waagt!”

(Bron: Kinderpoëzie, Leeuweriken/N.V. H. ten Brink’s Uitgeversmij)

Maatje (anoniem)

Standaard

makker, vriendje, kameraad
hoog in het woud is bomenpraat
we bouwen er een spijkerhuis
ik fluister: hoor het stemgeruis

ik heb een dromenopbergplek
m’n eigen bed is net een afdruiprek
jij vond me een dekenzee zonder orkaan
ik fluister: geen droom zal ooit vergaan

daar loopt een stiekem zaklamp mens
onder ons hoogtehoutenhuis
hee maatje, wat is je grootste wens?
jij roept uit: wolken aanraken, een heel lief thuis

je vertelt mij ál je lachmachientjes
mijn buik rimpelt zo gek, net jouw grootje
we zingen liedjes en m’n ribben trillen
jij roept uit: lijkt wel of we vliegen met dit bungalowtje

ik schater het uit, jij komt niet meer bij
verstoppertje, dans voeten- en armenbrij
wat als we vallen uit dit spijkerparadijs?
‘k fluister: dan word je een hagelbui van limonade-ijs

saaie rekensommen, heel erg computerpijn
wil iemand vragen hoe alle geheimen zijn
m’n bloedbroeder vertrok met de watertrein
‘k fluister: niemand om mee te fietsen, tril van pijn

in mijn dromenopbergstek
verkennen we de wereld wijde plek
ik opereer je hart met een computerhand
jij zegt zacht: een heel lief meisje, ik sta in brand



(Met dank aan een student aan de Pabo in Groningen)

De oude school (Willem Wilmink)

Standaard

Goejanverwellesluis





Ach, zou die school er nog wel zijn,
kastanjebomen op het plein,
de zware deur,
platen van ridders met een kruis
en van Goejanverwellesluis,
geheel in kleur.

Die mooie school, daar stond je met
een pas gejatte sigaret
in ’t fietsenrek,
daar nam je bibberig en scheel
en van ellende groen en geel
opnieuw een trek.

En als de meester jarig was
werd het rumoerig in de klas
en zat je daar,
en je verwachtte zo direct
een uiterst boeiend knaleffect:
de klapsigaar.

Je speelde in een schooltoernooi
en het begin was wondermooi:
fijn voetbalweer,
je kreeg met 10-1 op je smoel,
de kleine keeper in zijn doel
hij weende zeer.

De najaarsblaren op de grond,
daar stapte je zo fijn in rond,
de school voorbij,
en ’s winters was de kachel heet
en als je daar dan sneeuw in smeet,
dan siste hij.

Het moet er allemaal nog zijn,
de deur, de bomen en het plein,
de grote heg,
alleen die mooie lichte plaat
waarop een kleine dessa staat,
is misschien weg.

(Bron: Ik had als kind een huis en haard, een bloemlezing uit het werk van Willem Wilmink, gekozen en ingeleid door Jean Pierre Rawie/Bert Bakker)

Mijn appelboom (Willem Wilmink)

Standaard

Als ik aan iets moet denken
of zo maar droom,
vertel ik het meteen
aan mijn appelboom.
Eerst een dikke boterham,
dan de armen om de stam,
of mijn ene hand al bij de andere kan.

De appelboom heeft dit jaar
zo mooi gebloeid.
Maar ik ben dus nog niet niet
genoeg gegroeid.
Eerst een dikke boterham,
dan de armen om de stam,
of mijn ene hand al bij de andere kwam.

(Bron: Ik snap het, liedjes voor jonge kinderen/Bert Bakker)

Je kunt niets beters wezen dan student (Drs. P.)

Standaard

Je hebt de middelbare school doorlopen
En denkt dat je iets heel bijzonders bent
De hele wereld ligt nu voor je open
Omdat je jong bent en intelligent
Waaraan je een conclusie vast mag knopen
Je kunt niets beters wezen dan student

Je hebt natuurlijk tal van idealen
En ziet jezelf als daktuinconsulent
Docent in binnensmonds gesproken talen
Of bouwer van een weggooimonument
Akkoord, maar laat ik toch maar eens herhalen
Je kunt niets beter wezen dan student

Je hoeft nog geen carrière uit te kienen
Een ander is misschien al hartpatiënt –
Zolang je zelf de kost niet moet verdienen
Waarom de maatschappij dan ingerend?
Die luchtkastelen worden gauw ruïnen
Je kunt niets beter wezen dan student

(Bron: Weelde & feestgedruis/Sijthoff)