Maandelijks archief: januari 2015

Meneer Max (Gerda Dendooven)

Standaard

MENEER MAX,
met zijn groene slippers aan
wilde niet naar huis toe gaan
naar zijn hond en naar zijn kat
naar zijn vrouw Lea Zwaan.

MAAR LEA werd het wachten moe
en stuurde de hond
naar haar mannetje toe.

HOP HOND, zei ze kordaat,
breng het baasje naar huis,
want ik voel, ik word kwaad.

NEE, zei de hond,
en hij bleef in zijn mand.
Zijn oren plat, zijn snuit op de grond.

STOK, smeekte vrouw Zwaan,
geef die hond een tik op zijn kont
want hij moet om mijn mannetje gaan.

NEE, zei de stok, da’s niet mijn taak,
ik sla geen honden.
En hij bleef aan de haak.

VUUR, weende de vrouw,
brand de stok
die de hond moet slaan
die niet om het baasje wil gaan.

DAT DOE IK NIET,
nee nee nee nee,
knetterde ’t vuur,
aan dit spelletje doe ik niet mee.

WATER, siste vrouw Zwaan,
doof het vuur dat de stok niet wil branden
die de hond niet wil slaan
die niet om Meneer Max wil gaan.

DAT had je gedacht,
fluisterde het water.
Ik blijf liggen heel de nacht.

KOE, schreeuwde de vrouw,
drink het water dat het vuur niet wil blussen
dat de stok niet wil branden
die de hond niet wil slaan
omdat hij niet om ’t baasje wil gaan.

HOEHOEHOE, ik heb geen dorst,
loeide de koe,
en er werd geen druppel water gemorst.

TOUW, huilde de vrouw,
bind de koe die het water niet drinkt
dat het vuur niet blust
dat de stok niet brandt
die de hond niet slaat
die niet naar ’t baasje toe gaat.

NEE, sprak het touw,
dat wil ik niet
en het liep kronkelend
weg van de vrouw.

MUIS, smeekte vrouw Zwaan,
knaag het touw
dat de koe niet bindt
die het water niet drinkt
dat het vuur niet blust
dat de stok niet brandt
die de hond niet slaat
die niet om mijn mannetje gaat.

DOE IK NIE, doe ik nie,
piepte de muis
en ze lachte ’t vrouwtje uit, hihihi.

Nu is het gedaan, brieste de vrouw.
Kat, vang die muis.

EN TOEN is alles heel snel gegaan
want de kat zei:
                                JA

EN ZE SPRONG naar de muis
die plots aan het touw ging knagen
dat de koe moest binden
die het water wilde drinken

dat het vuur zou blussen
dat de stok ging branden
om de hond mee te slaan
die snel om meneer Max is gegaan.

EN TOEN hij thuiskwam
bij Lea Zwaan
is hij meteen naar bed toe gegaan.
En zo was het verhaal echt wel gedaan.
Maar… de volgende dag,
tussen zeven en acht,
wat had je gedacht,
begon alles
helaas
van voren af aan.

(Bron: Voor nu en nog heel lang/Stichting Lezen)

Dit heeft mijn broertje Jaap geteekend (Koos van Doorne)

Standaard

Een paarse lucht, waarin een gele maan,
een donker bosch, een glanzende rivier,
drie palmen die dicht bij elkander staan
zooals in alle landen ver van hier…,

droef wordt mijn hart dat zoo een droom hervindt:
bedachtzaam trekken door een dreigend woud,
en vriend zijn van de zon, het water en de wind,
en met gevaar en eenzaamheid vertrouwd.

Dit heeft mijn kleine broer getekend,
dat God hem antwoord geve op zijn vragen…
Ik heb mijn schuld met hem verrekend
en schreef den droom neer, dien wij samen dragen.

(Bron: Kinderland, een boek van moeder- en kinderliefde -In dit boek verzamelde ik gedichten, welke naar mijn mening door de mens van heden, die van verzen en kinderen houdt, schoon gevonden worden- Martin Bruyns, kerstmis, 1934/Paul Brand’s Uitgevers-bedrijf N.V., Hilversum, MCMXXXV)

daar waar karren… (Marijke Ringoot, 13 jaar)

Standaard

daar waar karren
tranen vervoeren
naar verre grenzen

daar waar kinderen
zich verschuilen in
boze-kabouter-bossen

daar waar mensen
radenloos naar hulp
en eten reiken

trekt geen god
nog koude kleren
aan

(Bron: ik heb jouw zee van tijd, Groot-Nederlandse Jeugdpoëzieprijs/Uitgeverij DiVers)

Boeken (Ivo de Wijs)

Standaard

Het begon niet zo beangstigend in wezen
Hij was jong, een jaar of negen ongeveer
Toen hij merkte dat ie stapel was op lezen
Dus hij las, alleen hij las voortdurend méér
Toen hij elf was, had hij nog gewoon genoeg aan
Een roman per dag, hij hield ’t nog beschaafd
Maar wat later zou het minder rustig toegaan
En met achttien was ie duidelijk verslaafd

Boeken
Breng me boeken
Zonder boeken weet ik echt niet goed
Niet goed waar ik ’t zoeken moet
Ach, breng me toch een overvloed
Aan boeken

Als hij wakker werd dan greep ie Van het Reve
(…nee, die regel doen we even over…)

’s Morgens greep ie naar een werk van Van het Reve
’s Avonds las ie door tot ver na twalef uur
En het enige waarvoor ie nog kon leven
Was zijn dagelijkse shot literatuur
Hij verkocht zijn fiets, zijn kleren en zijn platen
Het was uitstel, op een zeker ogenblik
Liep hij bedelend en stelend langs de straten
Voor zijn onversneden ingenaaide kick

Boeken
Ik wil boeken
Ik wil boeken, ik wil coûte que coûte
Het boek dat uit de doeken doet
Waarom ik aldoor lezen moet
In boeken

Bleek en mager heeft ie zo een tijd gezworven
Blind op proza en belust op poëzie
Maar tenslotte is ie haveloos gestorven
Aan een overdosis encyclopedie
In het leven kun je alles overdrijven
Hij is dood, ik zeg het toch met wat verdriet
Ik dacht: Zal ik eens een boek over hem schrijven?
maar ik heb ’t maar gelaten bij ’n lied
(Zoals je ziet)

(Bron: Roltrap naar de maan/Novella)

Koekoek in de schemering (Lennaert Nijgh)

Standaard

Niets is zo fijn als je klein bent
als ’s zomers logeren bij Oma en Opa
in het huis met de hoekjes vol donker.
Van Oma mag altijd van alles,
rommel maken mag, want Oma ruimt het wel op
en Opa is boven en speelt voornamelijk viool.
Niets is zo fijn als je klein bent.

Maar die droom werd een drama
en later een trauma,
dat kwam door de klok,
een verschrikkelijk grote koekoeksklok, een joekel,
waarvan ik eigenlijk een beetje schrok.

Die klok had gelopen sinds Oma en Opa hun trouwdag
en misschien was de koekoek een beetje moe,
het deurtje stond meestal al half open
en daarbinnen hoorde je alleen maar: Oeh…

Maar daarnaast zat nog een deurtje en Opa
zei dat daarachter een mannetje zat,
dat geregeld kwam kijken of je wel zoet was
en vooral zonder dreinen je spinazie at.

O waarom grote mensen nou eenmaal niet willen
snappen dat een kind van zoiets gaat gillen,
mannetjes bedenken die je beloeren
en stel je nou ’s voor dat ie z’n klok uit komt!

O! O! Verschrikkelijk!
O! O! Het ogenblik!
Opeens begon binnen van alles te lopen,
het deurtje ging driftig en rammelend open,
het was een griezelig grijs mannetje,
hij beefde van woede en ging woest heen en weer,
je kon duidelijk zien dat het leefde
en het speelwerk pingelde door het huis
en Oma begreep het niet,
    Oma begreep het niet,
    Oma begon opeens heel raar te zingen
    het was een afschuwelijk lied:

            O, was ik maar dood
            wie ik liefheb, die krijg ik toch nooit!
            O, wat een verdriet,
            Wie ik liefheb die krijg ik toch niet.

En boven speelde Opa
dwars door alles heen viool.
Ik vluchtte huilend naar de trap
en het deurtje van de klok ging dicht
met een akelige klap.

Het kwam volgens Oma
doordat ik zo zwak van gestel was,
voor mijn zenuwen had ze weeje thee gezet,
ik hoorde nachtenlang de koekoek
met een grafstem roepen
en ik plaste onophoudelijk in bed.

En natuurlijk kon ik niemand vertellen:
In de koekoek zit een kereltje dat alles ziet,
’n soort van Sinterklaas, want je moet voor ‘mm zingen,
liefst over doodgaan en verdriet.

O waarom grote mensen nou eenmaal niet willen
snappen dat een kind van zoiets gaat gillen,
wat moet een kind dat niet klokkijken kan daarmee aan?
Ze zeggen dat een klok wel eens kan slaan!
En dan zeker verwachten dat je voor een plas
je bed uitkomt!

Nu ik zoveel andere zomers gezien heb,
kom ik terug in het huis van mijn ouders,
de klok lijkt veel kleiner dan vroeger.

Ik laat het speelwerk lopen
en door de zomeravond
hoor ik de tonen tinkelend zweven
en even worden de jaren van glas
en zie ik de lijn die loopt tussen vroeger
en nu
en wat komen gaat.

        (…en Opa is boven
        en speelt voornamelijk viool…)

En in de stilte van de zomeravond
speelt Opa voornamelijk viool
en wat er ook gebeuren zal

Opa is boven
en speelt voornamelijk viool.

(Bron: Kinderen van één wereld/Van Holkema & Warendorf)

Wat boeken doen (Daniel Billiet)

Standaard

Ook de stoel kan niet meer
blijven zitten.

Zo woelen woorden
zich los van de zinnen, vlammen
op in mij, binden mij
vleugels aan, zingen van de wereld
in dit boek.

Mijn lezen vreet de kamer
leeg. Nu duurt geen ogenblik
maar uren avonturen.

Het raam barst open
en voert mij, ontvoert mij
naar de hele wereld buiten
in mijn boek.

(Bron: Moenie worry nie/Averbode)

Pianojuf (Bart Moeyaert)

Standaard

Ik moest een berg beklimmen
voor ik zat. Dan nog verdronk
ik haast. De juf droeg blauwe
tule, de piano zelf was zwart.
Ze vroeg me naar de naam van
alle delen: de hamer en de snaar,
dit zijn twee lagen vilt, dit heet
klavier, en had ik hier, nee dáár
ontdekt wat de pedalen deden
als je erbij kunt met je korte
benen (ha ha ha)? Ik zei dat ik
pas acht was. Ik wist wat hard
en zacht was en dat ik verder
alles van de blauwe juf zou leren.

(Bron: Maanbundel)

Drie musjes (Harriët Laurey)

Standaard

postkaart-drie-musjes-gabriela-de-carvalho


Daar zitten drie musjes in ’t sneeuwwitte woud.
Hun hartjes zijn warm en hun staartjes zijn koud.

Ze slapen er onder het sneeuwwitte dek.
De middelste mus heeft de warmste plek …

Ze wachten op iets dat hun buikje vult.
De middelste mus heeft het meeste geduld …

Waarom mag die éne in ’t midden, juist hij?
En WILLEN die andere twee wel opzij?

Dat willen ze best, hoor, en weet je waarom?
Ze zitten een poos, en dan ruilen ze om!
Dan mag er een ander in ’t midden, en dus
is elk op zijn beurt weer de middelste mus …

(Bron: Wist jij dat er schaatsende eendjes bestaan?/Holland. Illustratie: Gabriela de Carvalho)

The Naming of Cats (T.S. Eliot)

Standaard

The Naming of Cats is a difficult matter,
It isn’t just one of your holiday games;
You may think at first I’m as mad as a hatter
When I tell you, a cat must have THREE DIFFERENT NAMES.
First of all, there’s the name that the family use daily,
Such as Peter, Augustus, Alonzo or James,
Such as Victor or Jonathan, George or Bill Bailey–
All of them sensible everyday names.
There are fancier names if you think they sound sweeter,
Some for the gentlemen, some for the dames:
Such as Plato, Admetus, Electra, Demeter–
But all of them sensible everyday names.
But I tell you, a cat needs a name that’s particular,
A name that’s peculiar, and more dignified,
Else how can he keep up his tail perpendicular,
Or spread out his whiskers, or cherish his pride?
Of names of this kind, I can give you a quorum,
Such as Munkustrap, Quaxo, or Coricopat,
Such as Bombalurina, or else Jellylorum-
Names that never belong to more than one cat.
But above and beyond there’s still one name left over,
And that is the name that you never will guess;
The name that no human research can discover–
But THE CAT HIMSELF KNOWS, and will never confess.
When you notice a cat in profound meditation,
The reason, I tell you, is always the same:
His mind is engaged in a rapt contemplation
Of the thought, of the thought, of the thought of his name:
His ineffable effable
Effanineffable
Deep and inscrutable singular Name.

**********************

Vertaling door Gerrit Komrij:

HOE NOEM JE EEN KAT?

Hoe noem je een kat? Geen eenvoudig karweitje,
dat flans je niet zomaar ’s even te saam;
wie weet denk je: die heeft ze niet op een rijtje,
als ik zeg: een kat vraagt om een driedubbele naam.
Allereerst dus een naam om in huis te gebruiken,
zolas Willempie, Sambal of Jan zonder Blaam,
zoals Tjebbe of Frederik, Droppie of Kuiken –
allemaal hoogst acceptabel qua naam.
Er zijn sjiekere namen, ze klinken wat beter,
deels voor Meneer zelf en deels voor Madame:
zoals Plato, Apollo, Electra, Demeter –
o, allemaal hoogst acceptabel qua naam.
Maar geloof me: een kat eist één naam die bijzonder is,
een naam die een wonder is, uiterst voornaam,
want hoe straalt hij uit dat hij geen slome donder is,
maar juist een seigneur als hij glimt voor het raam?
Ik bied je een selectie uit die aliassen,
zoals Snorrescha, Xinix of Oui-Doume-Ouat,
zoals Bomballerien of, zeg, Antimakassa –
titels bestemd voor nooit meer dan één kat.
Maar inzonderheid is daar die naam nog, die ene,
en dat is de naam die je vindt voor geen goud;
de naam door geen mensenverstand bij te benen –
die alleen de kat zelf kent, en stug voor zich houdt.
Weet, als je’n kat heel intens na ziet denken,
de reden is steeds weer: hij zit aangenaam
en innig verrukt al zijn aandacht te schenken
aan zijn heerlijke, heerlijke, heerlijke naam:
zijn onzegbaar zegbare
zegbaaronzegbare
zeer ondoorgrondbare hogere naam,
naam, naam, naam, naam, naam, naam.

(Bron: Old Possum’s Book of Practical Cats/Harcourt)

Begin eens bijvoorbeeld… (Drs. P)

Standaard

Begin eens bijvoorbeeld met twaalf lettergrepen
Vervolg dan met elf, en met tien enzovoort
Het is met zulke schrandere knepen
Dat de vakman de lezer bekoort
Telkens zo’n syllabe minder
Veredelt het metrum niet
Daarin zit de hinder
Zoals u wel ziet
Nu nog een paar
Doch meteen
Zo maar
Een

(Bvhdtvdzndze – kenners van de Mortimercode zullen deze ondeugende woordspeling naar waarde kunnen schatten. Bron: Ik wou dat ik twee hondjes was, Nederlandse nonsens- en plezierdichters van de 20ste eeuw/Bert Bakker)

Toen ze de communisten kwamen halen… (Martin Niemöller)

Standaard

Toen ze de communisten kwamen halen
heb ik niets gezegd
ik was geen communist
Toen ze de vakbondsleden kwamen halen
heb ik niets gezegd
ik was geen vakbondslid
Toen ze de joden kwamen halen
heb ik niets gezegd
ik was geen jood
Toen ze de katholieken kwamen halen
heb ik niets gezegd
ik was geen katholiek
Toen kwamen ze mij halen
en er was niemand meer om iets te zeggen

(Bron: De dag dat je brief kwam/Maarten Muntinga. Vertaling: Petra Catz)

De prentenboek-kabouter

Standaard

Kabouter Keesje Krentenkoek
woont in een heel mooi prentenboek
precies op blaadje zeventien.
Maar iedere nacht dan zegt hij: “Kom,
ik wandel eens een blaadje om,
dan kan ik ‘ns iemand zien.”

Soms gaat hij naar de toverfee
die woont vooraan, op nummer twee

en ze is reuze knap.
En bij de clown van nummer elf
och, och, daar lach je al vanzelf,
je lacht je eigen slap.

Hij gaat ook graag naar blaadje zes,
daar woont de kleine danseres:
Pepita Tierelier.
Hij neemt voor haar een bloempje mee
en samen drinken ze kopjes thee
wel twee, wel drie, wel vier.

Het bakkertje van nummer vijf
dat klopt zojuist de slagroom stijf,
daar is het ook niet kwaad.
En zo gaat Keesje Krentenkoek
dan hier, dan daar eens op bezoek,
in heel de Prentenstraat.

Maar eens in het jaar, op zeven maart,
als Keesje Krentenkoek verjaart,
je raadt het al misschien:
dan komen ze allemaal bij hem thuis,
dan is het feest in Keesjes huis
op blaadje zeventien!

(Bron: De kabouterberg/de Fontein)