Maandelijks archief: maart 2015

Maart (J.J.A. Goeverneur)

Standaard

Nu gaat de felle koude
Al meer en meer voorbij
En komen wij al zachtjes
In ander jaargetij.

De zwarte spreeuwen komen
Terug naar ’t oude nest,
En wandlen op de daken
En pruttlen al haar best.

Ook vangt weer ’t moedig haantje
Met zijn schel kraaien aan,
Terwijl de lieve hennen
Druk aan het leggen gaan.

En legde er een haar eitje,
Dan is zij recht voldaan
En roept: Kijk, al weer eentje!
Is dat niet knap gedaan?

Maar Maart is ook een wilde gast,
Een windzak en een bulderbast;
Hij kan geweldig razen,
En ’t is zijn allerhoogste pret,
Als hij gauw iemand hoed of pet
Zoo maar van ’t hoofd kan blazen.
Ook waar hij parapluutjes ziet,
Spaart hij die niet,
Maar keert – zoo’n guit der guiten! –
Die, flap! het binnenst buiten,
Zoodat het heertje daar op straat
Nu ook weer doodverlegen staat.

Daar klautert in zijn glimmend pak
Die zwarte man hoog op het dak,
Omdat geen enkel ziertje roet
Daar in den schoorsteen blijven moet;
En weet ge, wat de tuinman doet?
Hij is aan ’t snoeien van de boomen,
Waaraan, is het eens zomertijd,
Dan zeker veel meer vruchten komen.

Het goede schaap heeft op het veld
Haar allereerste jong gekregen,
En de arme moeder staat verlegen,
Want ’t sneeuwt en hagel met geweld,
En daar kan ’t arme lam niet tegen.
Nu komt het meisje van den boer
En brengt aan de oude drank en voer,
En neemt haar mede naar den stal,
Waar ’t lam ook veilig wezen zal.

(Bron: De twaalf maanden van het jaar in zestig tafereeltjes/J.A.G. van Dobben, Rotterdam 1870-1880)

Advertenties

Twee kameraden (O.S. van der Veen)

Standaard

Ons doesje Fidèl,
En poes Pieternel,
Dat zijn twee heel dikke vrinden;
Soms kan je ze saam
In de mand of voor ’t raam,
Gezelligjes spelende vinden.

Het joligste spel
Van Nel en Fidèl
Is, als zij aan ’t buitelen raken,
Omdat onze poes
Zich met ’t staartje van Does
Een ogenblik dacht te vermaken.

Zij eten tevreê
Uit één bak met z’n twee
En gunnen mekaar wel een stukje
Als ’t kacheltje gloeit,
Of het zonnetje broeit,
dan doen ze tezamen een tukje.

(Bron: Kinderpoëzie, deel 1 Parkietjes/N.V. H. ten Brink’s Uitgeversmij/Meppel-Djakarta)

Liedjes voor de kleine Lucie II (Anton van Duinkerken)

Standaard

Zing in de bomen, wind,
zomerse dromenkind,
’t lied van de nacht
zacht – zacht –

Zacht nadert duisternis
heimvolle fluisternis
dringt tot ons door
hoor – hoor –

Hoor je, m’n kindje, niet
’t wiegende windelied
hoog in de boom:
droom – droom –

Droom van verblijdenis,
weet niet wat lijden is.
Zacht zegt de wind:
kind – kind –

Kind, slaap onschuldig maar
ik ongeduldig naar
dageraads schemering
zing – zing –

(Bron: Het Lyrisch Labyrinth/De Gemeenschap)

Koud (Geert de Kockere)

Standaard

Koud was het al
toen plots de wereld verstilde.
Even hield alles op.
Het draaien, het lachen,
het razen, het rennen.

Er was alleen nog jou,
stiller dan ooit
en onbewogen
onder zoveel aandacht.

En we dachten nog,
en we zeiden nog:
Wat ligt hij daar schoon,
straks wordt hij wakker
en maakt hij een grap.

Koud was het al
toen we jou naar buiten volgden.
En we keken als nooit tevoren
naar de witte wolkjes leven,
die uit onze monden ontsnapten.

(Bron: Jariger dan wij/Pigmalion)

Marc groet ’s morgens de dingen (Paul van Ostayen)

Standaard

vis




Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
                          en
dag visserke-vis met de pet
                pet en pijp
    van het visserke-vis
                goeiendag
DAA-AG VIS
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn.




(Oorspronkelijke bron: Gedichten/De Sikkel. Opgenomen in: Kinderland, M. Bruyns/Paul Brand’s Uitg. Bedrijf N.V.)


Toelichting (bron: dbnl.org): “Wat Marc dus onder andere groet, zijn schilderijen. Waarschijnlijk schilderijen van zijn vader. Het ‘visserke’ is geen mannetje dat hij eventueel door het raam ziet, maar een geschilderde visser. Wat kan de echte Marc gezien hebben? Welke schilderijen aan de muren rond de ontbijttafel hingen, is tot op zekere hoogte na te gaan, al weten we niet in hoeverre wat Marc zei te zien overeenstemt met wat wij nu op de schilderijen menen te zien. Hij kan er zijn eigen jonge invulling aan gegeven hebben en in het herhaaldelijk groeten kunnen namen geslopen zijn die een volwassene er nu niet aan zou geven. Marc was eind 1924, toen het gedicht geschreven werd, twee en een half jaar oud, een leeftijd waarop kinderen nog niet voor alles de juiste namen en begrippen weten en ook verder zoekende zijn naar wat de taal aan uitdrukkingsmiddelen heeft. Op die leeftijd begint het spreken in zinnen van drie á vier woorden en vormt zich een eerste gevoel voor grammatica. Er ontstaat een besef van tijd, maar categorieën als ‘gisteren’ worden nog ruim gehanteerd. Dat in aanmerking genomen en afgaand op de catalogi die er over het werk van Floris Jespers zijn verschenen, is er een vijftal schilderijen die de jonge Marc gegroet zou kunnen hebben. Allereerst drie waarvan zeker is dat ze in datzelfde jaar 1924 gemaakt werden: Matroos met bloem, Vaas met bloemen en De fietser. Verder is er een schilderij waarvan het jaar onbekend is en dat in de catalogus op 1928 geschat wordt, maar dat gezien de gebruikte techniek ook uit 1924 zou kunnen dateren: Manneke met de pijp. Floris Jespers wisselde verschillende malen binnen niet al te lange perioden van techniek en in Manneke met de pijp schildert hij op dezelfde manier bloemen als in Vaas met bloemen en gebruikt hij tevens dezelfde puntjestechniek. Ten slotte is er nog een schilderij uit 1921: Stilleven met vis.
Dit laatste schilderij is het enige waarvan de afbeelding concreet overeenkomt met het ding dat Marc groet.”

Oogstliedje uit Sha’Al (Sjoerd Kuyper)

Standaard

De zwaluw had nog zo gezegd:
‘Neem koekjes mee, neem koekjes mee.’

En ook de pad onder de heg
waarschuwde haar: ‘Neem koekjes mee.’

De sikkel in het rijpe graan
riep haar nog toe: ‘Neem koekjes mee.’

Ze is alleen met geld gegaan.

De stenen van de stadspoort
vroegen: ‘Heb je koekjes mee?’

De kinderen sprongen touwtje
en ze heeft hun lied gehoord:

‘Ik had, maar heb niet.
Had ik maar.
Moeder, zijn de koekjes klaar?
Nee is ja en ja is nee.
Ja, mijn kind,
neem ze maar mee.’

Daar lag haar oudste zoon.
De zon die glom in het geweer
vroeg voor de laatste keer;
‘Heb je wel koekjes mee?’

Haar zoon lag dood.
De tijd stond stil.

Er werd geen kinderlied gehoord.
De stenen zwegen in de poort.

En ook de pad onder de heg,
heel even heeft hij niets gezegd.

Hele even was de zwaluw stil,
heel even hing de sikkel stil.

Niet lang genoeg.
Net iets te vroeg

keerde het leven weer
in pad en zwaluw,

sikkel, graan,
de zon op de loop,

net iets te vroeg.
Stuurloos voortaan.

En zij betaalde
voor de kogels in haar zoon,

de kogels één voor één,
de kogels allemaal.

‘En koekjes?’ vroegen ze haar toen.
‘Koekjes voor de soldaten?

Bracht je voor hen geen koekjes mee?’
en zij zei: ‘Koekjes? Nee.’

En toen…? Ik zwijg nu maar.
Alleen nog dit:

Zij doodden haar
en zeven moeders op een rij.


De zwaluw heeft het hem gezegd:
‘Neem koekjes mee, neem koekjes mee.’

En ook de pad onder de heg
waarschuwde hem: ‘Neem koekjes mee.’

De sikkel in het rijpe graan
riep hem nog na: ‘Neem koekjes mee.’

Haar jongste zoon nam koekjes mee,
nam tweemaal koekjes mee.


(Bron: Zeepziederij De Adelaar/L.J. Veen)

Het zomert (Sylvia Hubers)

Standaard

Het zomert al een beetje.
Een dag in november
een grote stralende zon
heel veel zingende vogels.

Het gevoel
een jurkje aan te kunnen trekken,
een heel bloot jurkje
en te flaneren
tussen meneren
met dikke jassen
aktetassen
vol met winterboterhammen
en winterpaperassen.

Ook het stiekem tonen
soms ineens
van achterstevens.

(Bron: Men zegt liefde/Fagel)

Ickle me, Pickle me, Tickle me too (Shel Silverstein)

Standaard

Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too
Went for a ride in a flying shoe.
“Hooray!”
“What fun!”
“It’s time we flew!”
Said Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle was captain, and Pickle was crew
And Tickle served coffee and mulligan stew
As higher
And higher
And higher they flew,
Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too,
Over the sun and up into the blue.
“Hold on!”
“Stay in!”
“I hope we do!”
Cried Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle Me, Pickle Me, Tickle me too
Never returned to the world they knew,
And nobody
Knows what’s
Happened to
Dear Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

(Bron: Where the sidewalk ends/Harper and Row. You Tube: ShelSilversteinBooks’s channel)

Aan ene jonge visser (Jacob Israël de Haan)

Standaard

Rozen zijn niet zo schoon als uwe wangen,
Tulpen niet als uw blote voeten teer,
En in geen ogen las ik immer meer
Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.

Achter ons was de eeuwigheid van de zee,
Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht,
Aan ’t eenzaam strand dwaalden alleen wij twee,
Er was geen ander dan het zeegerucht.

Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad.
Gij vaart en vist tevreden, ik dwaal rond
en vind in stad noch stiller landstreek wijk.

Ik ben zo moede, ik heb veel liefgehad.
Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond,
En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.

(Bron: Verzamelde gedichten/Van Oorschot)

Groenendaal (Michel van der Plas)

Standaard

Zestien. — Ik liep de poort van Hageveld
uit in de rij. Seminarist. Dat ging
op zondag zo: twee uren welgeteld
de lanen door. Het heette wandeling.

Zo kwam ik voor het eerst in Groenendaal.
Het breedste pad: wat was het op het spoor?
Ze marcheerden zo’n beetje allemaal.
Maar ik keek steeds tussen de bomen door.

Midden juni geloof ik dat het was.
Iemand zwamde over de Ilias.
Maar ’t was of daar, ver weg, een feest begon.
God, dacht ik, als ik daar nu zitten kon,
fosco drinken of zo op dat terras
tussen mooie mevrouwen in de zon.

(Bron: De oevers bekennen kleur, Verzamelde Gedichten/Anthos-Lannoo)

Het bedje dat rijden kan (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Wat zeg je d’r van?
Jan heeft een bedje dat rijden kan.
Iedere nacht, in z’n witte hansop
zit hij rechtop en
hij drukt op een knop en
hij zegt nog gedag tegen ’t schaap op ’t behang
en dan rijdt het bedje al over de gang.
En het gaat
op de straat.
’t Is al donker en laat.
En zo fijn,
over ’t plein
waar verkeerslichten zijn.
En dan toet! Op de rijweg, jawel, jawel!
Het bedje gaat snel! Zo verschrikkelijk snel!
Daar is een auto,
                een bromfiets,
                een truck…
De weg is zo druk, zo verschrikkelijk druk!
Hij rijdt naar Milaan
en meteen weer terug.
In één ruk terug naar z’n kamertje toe
en dan is Jan moe.
Dan zegt hij nog even hallo tegen ’t schaap,
en dan valt ie in slaap.
En ’s morgens zegt mam: Ben je ver weg gegaan?
En Jan zegt: Gewoon, heel gewoon, tot Milaan.

(Bron: Als vogeltjes gaan slapen…/Zwijsen)

Dromen (Nannie Kuiper)

Standaard

Mijn slapende hond
ligt stil op de grond.
Maar plotseling
gaat hij bewegen:
hij snuffelt, hij zucht,
hij hapt naar de lucht —

hij heeft in zijn droom
iets gekregen.

Hij smakt en hij slikt,
hij jankt en hij hikt,
zijn poten gaan snel
heen en weer…

Opeens springt hij op
en schudt met zijn kop —
wat jammer,
nu droomt hij niet meer.

(Bron: Zo kan het ook/Leopold)