Maart (J.J.A. Goeverneur)

Standaard

Nu gaat de felle koude
Al meer en meer voorbij
En komen wij al zachtjes
In ander jaargetij.

De zwarte spreeuwen komen
Terug naar ’t oude nest,
En wandlen op de daken
En pruttlen al haar best.

Ook vangt weer ’t moedig haantje
Met zijn schel kraaien aan,
Terwijl de lieve hennen
Druk aan het leggen gaan.

En legde er een haar eitje,
Dan is zij recht voldaan
En roept: Kijk, al weer eentje!
Is dat niet knap gedaan?

Maar Maart is ook een wilde gast,
Een windzak en een bulderbast;
Hij kan geweldig razen,
En ’t is zijn allerhoogste pret,
Als hij gauw iemand hoed of pet
Zoo maar van ’t hoofd kan blazen.
Ook waar hij parapluutjes ziet,
Spaart hij die niet,
Maar keert – zoo’n guit der guiten! –
Die, flap! het binnenst buiten,
Zoodat het heertje daar op straat
Nu ook weer doodverlegen staat.

Daar klautert in zijn glimmend pak
Die zwarte man hoog op het dak,
Omdat geen enkel ziertje roet
Daar in den schoorsteen blijven moet;
En weet ge, wat de tuinman doet?
Hij is aan ’t snoeien van de boomen,
Waaraan, is het eens zomertijd,
Dan zeker veel meer vruchten komen.

Het goede schaap heeft op het veld
Haar allereerste jong gekregen,
En de arme moeder staat verlegen,
Want ’t sneeuwt en hagel met geweld,
En daar kan ’t arme lam niet tegen.
Nu komt het meisje van den boer
En brengt aan de oude drank en voer,
En neemt haar mede naar den stal,
Waar ’t lam ook veilig wezen zal.

(Bron: De twaalf maanden van het jaar in zestig tafereeltjes/J.A.G. van Dobben, Rotterdam 1870-1880)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s