De tol en de bal (Martine Bijl)

Standaard

‘Wil je met me trouwen?’ vroeg de tol aan de bal,
‘we wonen tóch al samen, in de la.
Jij springt, ik draai… Je wilt toch wel?
Wat vind je, meid? Zijn wij een stel?
Ik heb een prachtig puntje! Zeg je ja?’

‘Zeg, bent u niet lekker?’ zei de bal, ‘bent u blind?
U bent toch zeker geen partij voor mij?
Ik ben van ’t allerduurste leer,
zo zacht… dat ziet men haast niet meer!
En daar komt nog iets bij – ik ben niet vrij.

Telkens als ik stuiter in de lucht,’ zei de bal,
‘dan roept de zwaluw: ‘Liefste!’ in mijn oor:
Voorlopig zijn wij toebedeeld
aan ’t jongetje dat met ons speelt…
maar als hij groot is, ga ik ervandoor.’

De bal mocht vaak naar buiten, in de tuin bij het huis.
De tol zag haar steeds hoger in de lucht,
en op een dag ging ze zó hoog…
het leek waarachtig of ze vloog!
Hij wachtte… maar ze kwam niet meer terug.

Ach, wat had de tol een diep verdriet om de bal.
Zij woonde vast bij hém, in ’t liefdesnest!
En iets wat je niet krijgen kan
daar hou je nog het meeste van…
Die zwaluw had het allemaal verpest.

Maar na lange tijd dacht hij steeds minder aan haar:
dat gaat zo met de jaren, alles slijt.
Toen werd hij uit de la gepakt
en opgeschuurd en goud gelakt…
opeens weer jong en fris, na al die tijd!

Ja, hij mocht weer spelen met het kind van het huis,
hij voelde weer het klappen van de zweep!
Hij danste vrolijk op de straat
maar toen opeens…zoals dat gaat…
te wild! Daar ging de tol over de streep!

Hij vloog door de lucht, haast net zo hoog als de bal…
en viel toen in een poel van vuil en stank.
Het vuilnisvat! Viés dat het was!
Hij dacht: daar gáát mijn gouden jas…
tot iemand naast hem zei: ‘Nou ja, goddánk!’

’t Leek een rotte appel, maar het wás dus de bal,
die drie jaar in de goot gelegen had.
‘Een echte heer!’ zei ’t vieze ding,
‘een gentleman uit eigen kring!
Die treft men niet vaak aan in ’t vuilnisvat!’

‘Kijk, ik hád verkering, maar ik viel in de goot
en ging daar vele jaren door een hel.
Daar komt een meisje, glad van huid,
helaas niet ongeschonden uit…
maar schoonheid zit vanbinnen, zegt men wel.’

‘Wilt u met mij trouwen?’ vroeg de bal aan de tol,
‘ik ben gemaakt van ’t allerduurste leer.
Ik zie meteen, zonder een woord,
dat u bij Ons Soort Speelgoed hoort!’
Poeh, dacht de tol, en nou wil ik niet meer.

‘Daar! Mijn gouden tol!’ juichte de stem van ’t kind.
Hij werd tussen de troep vandaan gevist,
en zij, die zoveel praatjes had
bleef achter in ’t vuilnisvat…
En denk maar niet dat hij haar ooit nog mist!

(Bron: Er was eens… Sprookjes op rijm/Blue in Green Publishing)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s