Maandelijks archief: januari 2017

Oma (Wiel Kusters)

Standaard

Vroeger ging ik bij mijn oma
plinten stoffen, iedere week.
Oma kon niet goed meer bukken,
bij iedere buk kreeg zij een steek.

Met een doekje om de vinger
kroop ik haar vier muren langs.
Onder de tafel, achter de stoelen
ging ik zo op stofjesvangst.

Het is nu heel wat jaren later.
Ik kruip nooit meer door een kamer.
Oma’s huis is er niet meer.
Het moest bukken voor de hamer.

(Bron: Salamanders vangen/Querido)

Wolken (Paul van Vliet)

Standaard

Velden vol met engelenhaar
IJspaleizen op elkaar
De tuinen van een tovenaar: zo kunnen wolken zijn.
En dan weer als een grauw tapijt
Van regen, kou en somberheid
Een stille ongelijke strijd waarbij de zon verliest.
Wolken komen wolken gaan
Dag in dag uit en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik de wolken niet, nog altijd niet ken.

Zee en zon en feestgewoel
Dat lichte zwevende gevoel
Een vrouw die weet wat ik bedoel: zo kan de liefde zijn.
En dan ineens die zwarte dag
Het afscheid, een verlegen lach
Een pijn die niemand weten mag
Een hart is maar zo klein.
Liefde komt en zal weer gaan
Als eb en vloed en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik de liefde niet, nog altijd niet ken.

Geloof en hoop een nieuw begin
Een dapper opgeheven kin
Gewoon de wijde wereld in: zo kan je leven zijn.
En dan weer moe en zonder kracht
Als niets of niemand op je wacht
Een tijd die nergens naar je lacht
Zo kan je leven zijn.
Zo zal je leven altijd gaan
Als dag en nacht en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik het leven niet, nog altijd niet ken.

(Bron: Er is nog zoveel niet gezegd…/Fontein)

Lullopertje (Lévi Weemoedt)

Standaard

‘k Was ied’re wedstrijd weer de droefste van het veld
en liep neerslachtig wat van achteren naar voren.
Er was geen grasspriet of ik had hem al geteld,
en ‘k wist bij god niet of we wonnen of verloren.

Alleen bij toeval raakte ‘k in het spel betrokken:
soms kreeg een tegenstander plots de slappe lach
als hij mijn broek zag, tot de schouders opgetrokken;
ik liep intussen snikkend naar de cornervlag.

Daar gaf ‘k wanhopig zó een trieste draaibal voor
(die met een laatste zucht in ’t struikgewas bleef hangen)
dat ied’reen weghinkte, zich kermend liet vervangen.
Ook van de tegenstander bleek ineens geen spoor.

Dan blies de scheidsrechter met zó veel doodsverlangen
de wedstrijd af. Alleen mijn tranen speelden door.

(Bron: Geen bloemen/Uitgeverij Contact)

Er was eens een mannetje (Han G. Hoekstra)

Standaard

abra007rijm02ill119

 

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat bouwde zijn huisje al op het ijs.
Toen het zijn huisje had gebouwd,
ging het verheugd zijn pijpje roken.
Toen het zijn pijpje had gerookt,
dacht het: Wie moet mijn potje koken?

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een vrouwtje al op het ijs.
Het vrouwtje kookte een pot met snert,
ze namen tien volle borden elk.
Toen het op was, zei het mannetje:
‘Nu nog een beker warme melk!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een koebeest al op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt.
‘Kijk,’ zei het mannetje na een tijd,
‘nu nog een eitje aan ’t ontbijt!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een kippenhok op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld. Het mannetje zei:
‘Nu nog een stukje spek erbij!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een varken al op het ijs.
Het varken at zijn buikje rond.
Tenslotte woog het vijfhonderd pond.
Huisje gebouwd, pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld: Krak-krak-krak!
Alles is door het ijs gezakt!

(Bron: Versjes uit de grabbelton/Meulenhoff)

De drommeldaris (C. Buddingh’)

Standaard

Ik ben een arme drommeldaris,
Wat zelden leuk en meestal naar is.

Mijn pa zat al in de puree:
Daar krijgt een kind een tik van mee.

Een half jaar voor ik werd geboren
Versnoepte hij zijn laatste oren,

Zodat ik doof ter wereld kwam,
Wat ook erg naar was voor mijn mam,

Ik was niet snug, maar ook niet bijster
Dom: ik kon zingen als een lijster,

En snorren met mijn fillewip,
Ik dacht: mijn vinkie is geknipt.

Maar mijn zang viel niet in de smaak en
Van mijn gesnor kon men wel braken,

En zoals ’t meer in ’t leven gaat
Verviel ‘k van ergernis tot kwaad.

En zette glashard een sjimozzel
Op ’t buiten van de bozbezbozzel.

Maar ‘k werd gegrepen op de gang,
En nou zit ik in het gevang,

En eet daar brood met spinnekoppen
En fijngemalen loddemoppen.

Eén troost bleef m’in mijn ongerief:
Mijn mam schrijft m’elke week een brief.

Toch: als dit al ’s levens plezier is
Ben ‘k net zo lief een drommelhieris.

(Bron: Ongerijmde rijmen/Het Spectrum. Oorspronkelijk: Gorgelrijmen/Bruna)

Alsof (Johanna Kruit)

Standaard

Het leek alsof we ver weg waren.
We zagen vogels die we niet noemden.
Het was koud maar er bloeiden bloemen
van ijs. Sneeuw viel in onze haren.

Het leek alsof we verdwaalden
in dit bos dat we al jaren wisten.
Maar het was heel anders dan gisteren
toen we elkaar nog niet kenden.

Het leek alsof oude verhalen
uit boeken van heel lang geleden
tussen de sneeuwvlokken zweefden.
En dat wij die mochten vertalen.

(Bron: Kun je zien wat je voelt/Holland)

Broodkruimels (J.P. Heije)

Standaard

p34-e38934c8edd842a6ac490837ebab6080

 

Wat pikt er tegen ’t vensterglas,
Alsof het vroeg: doe open! –
Zo ’t eens die kleine vogel was,…
Die ‘k op de plaats zag lopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten…
Och! dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten!

Of had ik al de krummels maar,
Die Moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En ik stond niet verlegen! –
Och, Moeder! help mij uit de nood,
En ‘k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krummeltje van brood
Mag worden weggesmeten.

(Bron: Alles in de wind, de bekendste kinderversjes van vroeger/Uitgeverij Bert Bakker)

De stier (Jacques Brel)

Standaard

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet rennen tot ons vermaak
Nee, voor de stier is de zondag meer een óndag
Van zon en bloed, van zand en doodsoorzaak
En alle krentenwegers voelen zich een Don Juan
En alle kostschoolmeisjes dromen van een
      Spaanse man…
Oh!
Wie weet waaraan de stieren denken
Als ze draaien, dansen, zwenken
Zo naakt, zo weerloos, zo melancholiek?
Oh!
Wie weet waarvan de stieren dromen
Opeens oog in oog gekomen
Met alle horendragers in ’t publiek?

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet sterven tot ons vermaak…
De laatste dag dat hij nog in de zon mag:
Daar zijn de picadores… met hun laffe taak!
En alle krentenwegers voelen zich García Lorca
En alle kostschoolmeisjes doen la Carmencita na!

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet sterven tot ons vermaak…
Daar komt de matador, het zwaard al in de aanslag
Daar suist het neer, ’t publiek schreeuwt juichend
      ‘RAAK’
In dat triomfmoment voelen de krentenwegers zich als
      Napoleon!
En alle kostschoolmeisjes voelen zich opeens
      Madame de Maintenon…
Oh!
Zou soms de stier als hij de geest geeft
Dromen wat hij straks voor feest heeft
Als in de de hel de MENS brandt zonder pardon
Oh!
Of zou hij ons in ’t stervensuur
vergeven? Denkend aan het vuur
van Carthago, Waterloo, Verdun, Stalingrad
Hiroshima, Bangladesj, Sinaï, Saigon!

====================

Les toros

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de courir pour nous
Un peu de sable du soleil et des planches
Un peu de sang pour faire un peu de boue
C’est l’heure où les épiciers se prennent pour Don Juan
C’est l’heure où les Anglaises se prennent pour Montherlant
Ah!
Qui nous dira à quoi ça pense
Un toro qui tourne et danse
Et s’aperçoit soudain qu’il est tout nu
Ah!
Qui nous dira à quoi ça rêve
Un toro dont l’œil se lève
Et qui découvre les cornes des cocus

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de souffrir pour nous
Voici les picadors et la foule se venge
Voici les toreros et la foule est à genoux
C’est l’heure où les épiciers se prennent pour Garcia Lorca
C’est l’heure où les Anglaises se prennent pour la Carmencita

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de mourir pour nous
Mais l’épée va plonger et la foule se penche
Mais l’épée a plongé et la foule est debout
C’est l’instant de triomphe où les épiciers se prennent pour Néron
C’est l’instant de triomphe où les Anglaises se prennent pour Wellington
Ah!
Est-ce qu’en tombant à terre
Les toros rêvent d’un enfer
Où brûleraient hommes et toreros défunts
Ah!
Ou bien à l’heure du trépas
Ne nous pardonneraient-ils pas
En pensant à Carthage Waterloo et Verdun
Verdun

(Bron: Pluche, de mooiste liedteksten/Nijgh & Van Ditmar. Vertaling: Ernst van Altena)

Falling asleep in class (Kenn Nesbitt)

Standaard

I fell asleep in class today,
as I was awfully bored.
I laid my head upon my desk
and closed my eyes and snored.

I woke to find a piece of paper
sticking to my face.
I’d slobbered on my textbooks,
And my hair was a disgrace.

My clothes were badly rumpled,
and my eyes were glazed and red.
My binder left a three-ring
indentation in my head.

I slept through class, and probably
I would have slept some more,
except my students woke me
as they headed out the door.

(Bron: Ik las met de klas een heerlijk gedicht – Honderd jaargangen Levende Talen/Vereniging van Leraren in Levende Talen)

Yup op noren (Ivo de Wijs)

Standaard

Afijn, ik was dus op het ijs
Zie ik daar een manspersoon
Die al schaatsend in de weer is
Met zo’n losse telefoon

‘Hallo, hoe gaat het op de zaak?
Heeft Van Dijk nog opgebeld?
Is die order al de deur uit?
Zijn die stellingen besteld?’

Op de schaats én in gesprek
Wat een achterlijk gekwek
Wat een vloek, een blinde vlek
Wat een opgefokte
    doorgetripte
          dolgedraaide
                gek
Gelukkig ging-ie op z’n bek

Vandaar misschien dat ik die dag
De leipo verder niet meer zag
Ik hoorde enkel nog, héél zwak
Tuut-tuut-tuut-tuut (vanuit een wak)

(Bron: Vroege vogel/Nijgh & Van Ditmar)

Lodewijk, waar was je? (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

 

Zoek zoek zoek in de struiken,
zoek achter elke heg.
Zoek zoek zoek in het fietsenhok
Lodewijk is weg.
Hier lopen wij in angst en vrezen
waar zoudie zijn, waar zoudie wezen?
Zit ie verscholen in het groen?
Wat moeten we doen,
o, wat moeten we doen?

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Zoek zoek zoek bij de vijver,
is ie nog niet terecht?
Zoek zoek zoek bij de pereboom,
Lodewijk is weg.
Als ie maar niet op straat gaat dallen,
als ie maar niet in een kuil is gevallen,
’t ventje nog veel te klein.
Waar zoudie toch zijn,
o, waar zoudie toch zijn.

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Daar ziet ie.
Waar?
Daar.
Daar is ie.
Waar?
Hier.

  Is ’t echt?
  ‘tIs echt.
  Lodewijk is terecht.

Lodewijk, waar was je?
Lodewijk, waar zat je?
Was je in het schuurtje?
Zat je op het platje?
En nou zijn we allemaal de koning te rijk:
hier is Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

(Bron: Ziezo’tjes/Querido)

Paris at night (Jacques Prévert)

Standaard

Drie lucifertjes een voor een aangestreken in de nacht
Het eerste om heel je gezicht te kunnen zien
Het tweede om je ogen te zien
Het derde om je mond te zien
En dan heel het donker om dat alles vast te houden
Als ik je in mijn armen neem.

================

Trois allumettes une à une allumées dans la nuit
La première pour voir ton visage tout entier
La seconde pour voir tes yeux
La dernière pour voir ta bouche
Et l’obscurité tout entière pour me rappeler tout cela
En te serrant dans mes bras.

(Bron: Voor jou mijn lief, vertaald door Wim Hofman/Em. Querido’s Uitgeverij B.V.)

De slobbers (Roald Dahl)

Standaard

big-ugly

(uit Sjakie en de grote glazen lift)

Soppend in de sloeriblubber
modd’rend in de grobbepol
glett’ren in het schimmerig spookuur
al de slobbers naar hun hol.

Je kan zachtjes horen slijmen,
glis en hissend in de gluist.
Al die oliebollenlijven
voorwaarts glippend in de duist.

Scheer je weg, o, rol en boller
door het blub en blobberbos.
Spring, hol, ren en tracht te slippen
al die slobbers lopen los!

================

GROBES

In the quelchy quaggy sogmire,
In the mashy mideous harshland,
At the witchy hour of gloomness,
All the Grobes come oozing home.

You can hear them softly slimeing,
Glissing hissing o’er the slobber,
All those oily boily bodies
Oozing onward in the gloam.

So start to run! Oh, skid and daddle
Through the slubber slush and sossel!
Skip jump hop and try to skaddle!
All the grobes are on the roam.

 

(Bron: Roald Dahl, Rijmen en verzen/Rubinstein. Songs and Verse/Jonathan Cape)

Nachtrit (Kees Spiering)

Standaard

We vertrokken laat, de maan hing hoog,
wij moesten slapen maar zagen dat bos
zwart langs onze ruiten vloog. Lampen
van andere auto’s, vaders achterhoofd.
Zijn handen bevriend met het stuur.
Groene lichtjes, rode – codes voor
snelheid, toeren, uur – in moeders oog
als zij zich zijwaarts boog.

We arriveerden vroeg, de maan hing laag,
we hadden niet geslapen, dachten we graag.
Ons dorp nog niet ontwaakt, niemand wist
dat we er waren. Nog één keer draaide vader
aan het stuur. Koplamplicht schoof langs
de muur van ons huis. “Fijn,” zei moeder,
“we zijn thuis.” De hele nacht samen
geweest. Elkaar voor de garage weer ontmoet.

(Bron: Een pijl door je maag/Bakermat)