De drommeldaris (C. Buddingh’)

Standaard

Ik ben een arme drommeldaris,
Wat zelden leuk en meestal naar is.

Mijn pa zat al in de puree:
Daar krijgt een kind een tik van mee.

Een half jaar voor ik werd geboren
Versnoepte hij zijn laatste oren,

Zodat ik doof ter wereld kwam,
Wat ook erg naar was voor mijn mam,

Ik was niet snug, maar ook niet bijster
Dom: ik kon zingen als een lijster,

En snorren met mijn fillewip,
Ik dacht: mijn vinkie is geknipt.

Maar mijn zang viel niet in de smaak en
Van mijn gesnor kon men wel braken,

En zoals ’t meer in ’t leven gaat
Verviel ‘k van ergernis tot kwaad.

En zette glashard een sjimozzel
Op ’t buiten van de bozbezbozzel.

Maar ‘k werd gegrepen op de gang,
En nou zit ik in het gevang,

En eet daar brood met spinnekoppen
En fijngemalen loddemoppen.

Eén troost bleef m’in mijn ongerief:
Mijn mam schrijft m’elke week een brief.

Toch: als dit al ’s levens plezier is
Ben ‘k net zo lief een drommelhieris.

(Bron: Ongerijmde rijmen/Het Spectrum. Oorspronkelijk: Gorgelrijmen/Bruna)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s