Categorie archief: Gedicht voor kinderen

Een ander pad (Fetze Pijlman)

Standaard

 

Er was een ander pad ontstaan
waar je langs naar school kon lopen
door de sneeuw en over ijs

Maar nu is het gaan dooien
komen oude wegen boven
ligt het gras weer als gras
loopt ons pad dood
op de wolken in de sloot.

 

(Bron: De blauw geruite kiel/Uitgeverij Xeno)

Advertenties

Ik wou dat ik papier was (Phil Mandelbaum)

Standaard

 

Ik wou ik wou dat ik papier was.
Ik wens mezelf van dik karton.
Ik wou ik wou dat ik je boek was.
Ik wou dat je me lezen kon.
Ik wou ik wou dat ik een kaft had.
Ik wens mezelf een sprookje groot.
Ik wou ik wou dat ik je boek was.
Ik wil zo graag bij jou op schoot.

 

(Bron: Het laatste woordje zacht/Davidsfonds. Vertaling: Bart Moeyaert. Opgenomen in: Leesletters, gedichten/Uitgeverij de Inktvis)

Oma (Wiel Kusters)

Standaard

Vroeger ging ik bij mijn oma
plinten stoffen, iedere week.
Oma kon niet goed meer bukken,
bij iedere buk kreeg zij een steek.

Met een doekje om de vinger
kroop ik haar vier muren langs.
Onder de tafel, achter de stoelen
ging ik zo op stofjesvangst.

Het is nu heel wat jaren later.
Ik kruip nooit meer door een kamer.
Oma’s huis is er niet meer.
Het moest bukken voor de hamer.

(Bron: Salamanders vangen/Querido)

Er was eens een mannetje (Han G. Hoekstra)

Standaard

abra007rijm02ill119

 

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat bouwde zijn huisje al op het ijs.
Toen het zijn huisje had gebouwd,
ging het verheugd zijn pijpje roken.
Toen het zijn pijpje had gerookt,
dacht het: Wie moet mijn potje koken?

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een vrouwtje al op het ijs.
Het vrouwtje kookte een pot met snert,
ze namen tien volle borden elk.
Toen het op was, zei het mannetje:
‘Nu nog een beker warme melk!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een koebeest al op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt.
‘Kijk,’ zei het mannetje na een tijd,
‘nu nog een eitje aan ’t ontbijt!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een kippenhok op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld. Het mannetje zei:
‘Nu nog een stukje spek erbij!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een varken al op het ijs.
Het varken at zijn buikje rond.
Tenslotte woog het vijfhonderd pond.
Huisje gebouwd, pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld: Krak-krak-krak!
Alles is door het ijs gezakt!

(Bron: Versjes uit de grabbelton/Meulenhoff)

De drommeldaris (C. Buddingh’)

Standaard

Ik ben een arme drommeldaris,
Wat zelden leuk en meestal naar is.

Mijn pa zat al in de puree:
Daar krijgt een kind een tik van mee.

Een half jaar voor ik werd geboren
Versnoepte hij zijn laatste oren,

Zodat ik doof ter wereld kwam,
Wat ook erg naar was voor mijn mam,

Ik was niet snug, maar ook niet bijster
Dom: ik kon zingen als een lijster,

En snorren met mijn fillewip,
Ik dacht: mijn vinkie is geknipt.

Maar mijn zang viel niet in de smaak en
Van mijn gesnor kon men wel braken,

En zoals ’t meer in ’t leven gaat
Verviel ‘k van ergernis tot kwaad.

En zette glashard een sjimozzel
Op ’t buiten van de bozbezbozzel.

Maar ‘k werd gegrepen op de gang,
En nou zit ik in het gevang,

En eet daar brood met spinnekoppen
En fijngemalen loddemoppen.

Eén troost bleef m’in mijn ongerief:
Mijn mam schrijft m’elke week een brief.

Toch: als dit al ’s levens plezier is
Ben ‘k net zo lief een drommelhieris.

(Bron: Ongerijmde rijmen/Het Spectrum. Oorspronkelijk: Gorgelrijmen/Bruna)

Broodkruimels (J.P. Heije)

Standaard

p34-e38934c8edd842a6ac490837ebab6080

 

Wat pikt er tegen ’t vensterglas,
Alsof het vroeg: doe open! –
Zo ’t eens die kleine vogel was,…
Die ‘k op de plaats zag lopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten…
Och! dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten!

Of had ik al de krummels maar,
Die Moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En ik stond niet verlegen! –
Och, Moeder! help mij uit de nood,
En ‘k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krummeltje van brood
Mag worden weggesmeten.

(Bron: Alles in de wind, de bekendste kinderversjes van vroeger/Uitgeverij Bert Bakker)

Lodewijk, waar was je? (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

 

Zoek zoek zoek in de struiken,
zoek achter elke heg.
Zoek zoek zoek in het fietsenhok
Lodewijk is weg.
Hier lopen wij in angst en vrezen
waar zoudie zijn, waar zoudie wezen?
Zit ie verscholen in het groen?
Wat moeten we doen,
o, wat moeten we doen?

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Zoek zoek zoek bij de vijver,
is ie nog niet terecht?
Zoek zoek zoek bij de pereboom,
Lodewijk is weg.
Als ie maar niet op straat gaat dallen,
als ie maar niet in een kuil is gevallen,
’t ventje nog veel te klein.
Waar zoudie toch zijn,
o, waar zoudie toch zijn.

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Daar ziet ie.
Waar?
Daar.
Daar is ie.
Waar?
Hier.

  Is ’t echt?
  ‘tIs echt.
  Lodewijk is terecht.

Lodewijk, waar was je?
Lodewijk, waar zat je?
Was je in het schuurtje?
Zat je op het platje?
En nou zijn we allemaal de koning te rijk:
hier is Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

(Bron: Ziezo’tjes/Querido)

De slobbers (Roald Dahl)

Standaard

big-ugly

(uit Sjakie en de grote glazen lift)

Soppend in de sloeriblubber
modd’rend in de grobbepol
glett’ren in het schimmerig spookuur
al de slobbers naar hun hol.

Je kan zachtjes horen slijmen,
glis en hissend in de gluist.
Al die oliebollenlijven
voorwaarts glippend in de duist.

Scheer je weg, o, rol en boller
door het blub en blobberbos.
Spring, hol, ren en tracht te slippen
al die slobbers lopen los!

================

GROBES

In the quelchy quaggy sogmire,
In the mashy mideous harshland,
At the witchy hour of gloomness,
All the Grobes come oozing home.

You can hear them softly slimeing,
Glissing hissing o’er the slobber,
All those oily boily bodies
Oozing onward in the gloam.

So start to run! Oh, skid and daddle
Through the slubber slush and sossel!
Skip jump hop and try to skaddle!
All the grobes are on the roam.

 

(Bron: Roald Dahl, Rijmen en verzen/Rubinstein. Songs and Verse/Jonathan Cape)

Nachtrit (Kees Spiering)

Standaard

We vertrokken laat, de maan hing hoog,
wij moesten slapen maar zagen dat bos
zwart langs onze ruiten vloog. Lampen
van andere auto’s, vaders achterhoofd.
Zijn handen bevriend met het stuur.
Groene lichtjes, rode – codes voor
snelheid, toeren, uur – in moeders oog
als zij zich zijwaarts boog.

We arriveerden vroeg, de maan hing laag,
we hadden niet geslapen, dachten we graag.
Ons dorp nog niet ontwaakt, niemand wist
dat we er waren. Nog één keer draaide vader
aan het stuur. Koplamplicht schoof langs
de muur van ons huis. “Fijn,” zei moeder,
“we zijn thuis.” De hele nacht samen
geweest. Elkaar voor de garage weer ontmoet.

(Bron: Een pijl door je maag/Bakermat)

Stil (André Sollie)

Standaard

download

 

Ik weet ook zonder woorden
– een glimlach en een blik –
wat jij bedoelt.

Met honderd mensen om ons heen
zijn we toch helemaal alleen.
wij. jij en ik.

Hoe zal ik je vertellen
hoeveel ik van je hou.
En hoe het voelt.

Het is alsof ik op je lijk.
Zelfs als ik in de spiegel kijk
dan zie ik jou.

(Bron: Altijd heb ik wat te vieren/Querido. Opgenomen in: Zoen me tot ik spin, gedichten over de liefde. Illustratie Wolf Erlbruch/Querido)

Het sparretje (Han G. Hoekstra)

Standaard

ande030spro08ill0069

Baas Jochem Piroen van der Mos
ging met z’n karretje naar het bos.
Hij had z’n dikke duffel aan,
ieder vond hem die prachtig staan.
In ’t bos waren de fraaiste bomen,
waarvan je maar zou kunnen dromen.
Er waren berken, beuken, eiken,
je kon er niet genoeg naar kijken.
Maar dáárvoor kwam baas Van der Mos
niet met z’n karretje naar ’t bos.

O neen het was Jochem Piroen
alleen om sparretjes te doen.
Toen hij er veertig; vijftig had,
reed hij er blij mee naar de stad.
Het was al laat, het werd al donker
en bij het eerste stergeflonker
en een verbazend ronde maan,
kwamen ze in de Hoofdstraat aan.
Heel achter op het karretje
stond een erg fijn, klein sparretje.

Je snapt wel, dat op ’t bomenplein
ieder er ’t eerste bij wou zijn.
Er werd verschrikk’lijk druk gezocht,
al gauw was alles uitverkocht.
Alleen dat kleine, groene joch,
dat sparretje, dat stond er nog.
Men zei: ‘Het is wel mooi en fijn,
Maar wat te mager en te klein…
het is wel aardig maar ach, néé,
geef mij toch maar een gróte mee!’

Maar toen is Klaasje Piek gekomen
en heeft het boompje meegenomen.
Had Klaasje Piek dat niet gedaan,
dan had het er nu nog gestaan.
Hij strooide ’t vol met bellen, klokjes,
met engelenhaar en witte vlokjes.
En toen het eind’lijk Kerstfeest was
-de kaarsjes aan!- toen zag je ’t pas:
dat boompje dat haast elk vergat
was ’t mooiste boompje van de stad.

(Bron: Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen/Querido. Oorspronkelijk: De kikker van Kudelstaart/Querido)

Wiegenliedje (Djoos Utendoale/Joris Declercq)

Standaard

Slapt mo, myn iengeltje
slapt mo… toe
Slapt mo, je zy’ zo moê.
Bie jun up’t schouwke
lacht ’t Lieve Vrouwke.
Slapt mo, slapt mo… toe.

Sluut nu jun oogsjes mo,
sluut ze mo, gouw !
sluut ze mo, douwe)douw-douw !
Moeke an jun wiegsje
verjoagt de vliegsjes…
slapt mo, slapt mo, douw…

Lacht in jun droom’n, kind,
Lacht mo, douw !
’t Leven vergoat zo gauw…
Nog zoenger zorgen, gy !
geën roöi vor morgen, nie
slapt mo… lacht mo… douw…

(Bron: Westhoekse poëzie/Schoonaert Roesbrugge)

’s Avonds, tegen een uur of acht… (Gerard Berends)

Standaard

’s Avonds tegen een uur of acht,
sluit ik alle ramen en deuren en boeken.

Misschien gaat het wel waaien,
hard waaien en dan vliegen er
kikkers tegen het raam die prinsen zijn,
of kloppen er boze wolven op de deur
die zeggen dat ze mijn moeder zijn.

Als het binnen waait,
vallen er vreemde woorden uit boeken
die ik niet begrijp.

(Bron: Waaien, hard waaien/Querido. Opgenomen in: Leesletters//Uitgeverij De Inktvis)

De tol en de bal (Martine Bijl)

Standaard

‘Wil je met me trouwen?’ vroeg de tol aan de bal,
‘we wonen tóch al samen, in de la.
Jij springt, ik draai… Je wilt toch wel?
Wat vind je, meid? Zijn wij een stel?
Ik heb een prachtig puntje! Zeg je ja?’

‘Zeg, bent u niet lekker?’ zei de bal, ‘bent u blind?
U bent toch zeker geen partij voor mij?
Ik ben van ’t allerduurste leer,
zo zacht… dat ziet men haast niet meer!
En daar komt nog iets bij – ik ben niet vrij.

Telkens als ik stuiter in de lucht,’ zei de bal,
‘dan roept de zwaluw: ‘Liefste!’ in mijn oor:
Voorlopig zijn wij toebedeeld
aan ’t jongetje dat met ons speelt…
maar als hij groot is, ga ik ervandoor.’

De bal mocht vaak naar buiten, in de tuin bij het huis.
De tol zag haar steeds hoger in de lucht,
en op een dag ging ze zó hoog…
het leek waarachtig of ze vloog!
Hij wachtte… maar ze kwam niet meer terug.

Ach, wat had de tol een diep verdriet om de bal.
Zij woonde vast bij hém, in ’t liefdesnest!
En iets wat je niet krijgen kan
daar hou je nog het meeste van…
Die zwaluw had het allemaal verpest.

Maar na lange tijd dacht hij steeds minder aan haar:
dat gaat zo met de jaren, alles slijt.
Toen werd hij uit de la gepakt
en opgeschuurd en goud gelakt…
opeens weer jong en fris, na al die tijd!

Ja, hij mocht weer spelen met het kind van het huis,
hij voelde weer het klappen van de zweep!
Hij danste vrolijk op de straat
maar toen opeens…zoals dat gaat…
te wild! Daar ging de tol over de streep!

Hij vloog door de lucht, haast net zo hoog als de bal…
en viel toen in een poel van vuil en stank.
Het vuilnisvat! Viés dat het was!
Hij dacht: daar gáát mijn gouden jas…
tot iemand naast hem zei: ‘Nou ja, goddánk!’

’t Leek een rotte appel, maar het wás dus de bal,
die drie jaar in de goot gelegen had.
‘Een echte heer!’ zei ’t vieze ding,
‘een gentleman uit eigen kring!
Die treft men niet vaak aan in ’t vuilnisvat!’

‘Kijk, ik hád verkering, maar ik viel in de goot
en ging daar vele jaren door een hel.
Daar komt een meisje, glad van huid,
helaas niet ongeschonden uit…
maar schoonheid zit vanbinnen, zegt men wel.’

‘Wilt u met mij trouwen?’ vroeg de bal aan de tol,
‘ik ben gemaakt van ’t allerduurste leer.
Ik zie meteen, zonder een woord,
dat u bij Ons Soort Speelgoed hoort!’
Poeh, dacht de tol, en nou wil ik niet meer.

‘Daar! Mijn gouden tol!’ juichte de stem van ’t kind.
Hij werd tussen de troep vandaan gevist,
en zij, die zoveel praatjes had
bleef achter in ’t vuilnisvat…
En denk maar niet dat hij haar ooit nog mist!

(Bron: Er was eens… Sprookjes op rijm/Blue in Green Publishing)

Verleden (Remco Ekkers)

Standaard

Op zolder vonden we een bed
van snippers van een krant
van negentienhonderd elf:
‘Zoo dat de vischboer stierf.’

De muizen vonden het best.
Ze vraten zich een nest
rond de dubbele oo, maakten
een wieg voor hun kroost.

Ze zijn als de vischboer
tot stof weergekeerd
en wij lezen onze toekomst:
een nest in oude spelling.

(Bron: De geur van tijd/Leopold)