Categorie archief: Gedicht voor kleuters

Broodkruimels (J.P. Heije)

Standaard

p34-e38934c8edd842a6ac490837ebab6080

 

Wat pikt er tegen ’t vensterglas,
Alsof het vroeg: doe open! –
Zo ’t eens die kleine vogel was,…
Die ‘k op de plaats zag lopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten…
Och! dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten!

Of had ik al de krummels maar,
Die Moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En ik stond niet verlegen! –
Och, Moeder! help mij uit de nood,
En ‘k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krummeltje van brood
Mag worden weggesmeten.

(Bron: Alles in de wind, de bekendste kinderversjes van vroeger/Uitgeverij Bert Bakker)

Lodewijk, waar was je? (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

 

Zoek zoek zoek in de struiken,
zoek achter elke heg.
Zoek zoek zoek in het fietsenhok
Lodewijk is weg.
Hier lopen wij in angst en vrezen
waar zoudie zijn, waar zoudie wezen?
Zit ie verscholen in het groen?
Wat moeten we doen,
o, wat moeten we doen?

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Zoek zoek zoek bij de vijver,
is ie nog niet terecht?
Zoek zoek zoek bij de pereboom,
Lodewijk is weg.
Als ie maar niet op straat gaat dallen,
als ie maar niet in een kuil is gevallen,
’t ventje nog veel te klein.
Waar zoudie toch zijn,
o, waar zoudie toch zijn.

  Lodewijk, waar zit je?
  Lodewijk, waar ben je?
  Lodewijk, waar blijf je?
  Lodewijk, ik ken je!
  je houdt me voor de gek.
  En waar ik ook kijk:
  geen Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

Daar ziet ie.
Waar?
Daar.
Daar is ie.
Waar?
Hier.

  Is ’t echt?
  ‘tIs echt.
  Lodewijk is terecht.

Lodewijk, waar was je?
Lodewijk, waar zat je?
Was je in het schuurtje?
Zat je op het platje?
En nou zijn we allemaal de koning te rijk:
hier is Lodewijk, Lodewijk, Lodewijk.

(Bron: Ziezo’tjes/Querido)

Het sparretje (Han G. Hoekstra)

Standaard

ande030spro08ill0069

Baas Jochem Piroen van der Mos
ging met z’n karretje naar het bos.
Hij had z’n dikke duffel aan,
ieder vond hem die prachtig staan.
In ’t bos waren de fraaiste bomen,
waarvan je maar zou kunnen dromen.
Er waren berken, beuken, eiken,
je kon er niet genoeg naar kijken.
Maar dáárvoor kwam baas Van der Mos
niet met z’n karretje naar ’t bos.

O neen het was Jochem Piroen
alleen om sparretjes te doen.
Toen hij er veertig; vijftig had,
reed hij er blij mee naar de stad.
Het was al laat, het werd al donker
en bij het eerste stergeflonker
en een verbazend ronde maan,
kwamen ze in de Hoofdstraat aan.
Heel achter op het karretje
stond een erg fijn, klein sparretje.

Je snapt wel, dat op ’t bomenplein
ieder er ’t eerste bij wou zijn.
Er werd verschrikk’lijk druk gezocht,
al gauw was alles uitverkocht.
Alleen dat kleine, groene joch,
dat sparretje, dat stond er nog.
Men zei: ‘Het is wel mooi en fijn,
Maar wat te mager en te klein…
het is wel aardig maar ach, néé,
geef mij toch maar een gróte mee!’

Maar toen is Klaasje Piek gekomen
en heeft het boompje meegenomen.
Had Klaasje Piek dat niet gedaan,
dan had het er nu nog gestaan.
Hij strooide ’t vol met bellen, klokjes,
met engelenhaar en witte vlokjes.
En toen het eind’lijk Kerstfeest was
-de kaarsjes aan!- toen zag je ’t pas:
dat boompje dat haast elk vergat
was ’t mooiste boompje van de stad.

(Bron: Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen/Querido. Oorspronkelijk: De kikker van Kudelstaart/Querido)

Wiegenliedje (Djoos Utendoale/Joris Declercq)

Standaard

Slapt mo, myn iengeltje
slapt mo… toe
Slapt mo, je zy’ zo moê.
Bie jun up’t schouwke
lacht ’t Lieve Vrouwke.
Slapt mo, slapt mo… toe.

Sluut nu jun oogsjes mo,
sluut ze mo, gouw !
sluut ze mo, douwe)douw-douw !
Moeke an jun wiegsje
verjoagt de vliegsjes…
slapt mo, slapt mo, douw…

Lacht in jun droom’n, kind,
Lacht mo, douw !
’t Leven vergoat zo gauw…
Nog zoenger zorgen, gy !
geën roöi vor morgen, nie
slapt mo… lacht mo… douw…

(Bron: Westhoekse poëzie/Schoonaert Roesbrugge)

Op wacht in de nacht (Vera Witte)

Standaard

Pinkel pinkel sterretjes,
daar buiten schijnt de maan.
Nu mogen alle poppetjes
weer lekker slapen gaan.

Maar één moet wakker blijven,
de hele lange nacht.
Soldaatje Ket, die flinkerd,
houdt bij ’t paleis de wacht.

Hij staat er in zijn hokje
dicht bij de grote poort.
Daar luistert hij aandachtig
of hij soms onraad hoort.

Het is wel saai en stil, hoor.
Geen popje is op pad.
Maar wacht eens zeg…hij hoort iets
“Miauw!” Dat is de kat.

Die komt eens even kijken.
Hij trippelt om hem heen.
“Gezellig,” zegt de schildwacht.
“Nu ben ik niet alleen.”

(Bron: De poppetjes van Dollieland/De Eekhoorn)

Pli-pla-plastic (Theo Olthuis)

Standaard

Ik heb een tante
en die is gek
op pli, op pla,
op plastic planten.
Haar hele huis staat vol;
geen plek is er onbezet.
Alle soorten, alle kleuren,
de mooiste bloemen
met spuitbus-geuren;
ze heeft, geloof ik, zelfs
een plant in bed!
Overal zie je glimmend groen
en reken maar
dat die planten het doen!
Want de hele dag
loopt m’n tante
met haar gietertje,
snoeit en besproeit
en geeft scheutjes
pli-pla-plastic water.
De één moet veel, de ander weinig;
alles weet ze, niets ontgaat ‘er!
Zijn er planten aan ’t verstoffen,
tante weet ze op te doffen!
Zijn er planten aan ’t verdorren,
tante weet ze op te porren!
O, wat heeft ze het toch druk
met al die namaakplanten.
Trouwens, ik bedenk me net…
’t Is ook geen echte tante!

(Bron: Ergens is een heel eind weg/Uitgeverij Ploegsma)

Latte (Leendert Witvliet)

Standaard

Latte, soms op bokkepoten,
met hoorns op de kop,
en vleugels van een vleermuis,
en soms is hij een Wolf of de Koorts,
het Druppen van een Kraan, een Gnoom
uit de Verzinselberg, het Donker,
de Kinderlokker of een Nare Droom.

Soms is Latte echt, dat is waar,
maar meestal hoort hij tot de spoken
die niet eens bestaan,
zo een die kluifjeszwammen eet,
zwarte, witte, echte kluifjes,
en smult van krabbescheer en kikkerbeet.

Wees dus voorzichtig, maar niet bang,
want Latte zet het op een lopen
voor ieder moedig kind,
dik of dun, kort of lang.
Voor helden is die nare Latte bang.

(Bron: MOMME-LA-ME-LOS/Querido)

De kippen in het kippenhok (Toon Hermans)

Standaard

De kippen in het kippenhok
die zeggen als maar tok tok tok
en boven op het kippenhokkendak
zegt de regen als maar tikketakketak
en het slot op de deur zegt klik
en ik … wat zeg ik?
‘k heb aas en bees en oos en gees
en oes en efs en ellen
‘k heb kaas en pees en ies en ees
om alles te vertellen
‘k heb heel wat meer dan de regen en de kip
‘k heb woorden allerhande
en toch sta ik nog af en toe
met m’n mond vol tanden.

(Bron: Ritselman en andere liedjes/Fontein)

Tuintje (Edward van de Vendel)

Standaard

We tutten ons tuintje op
en kammen het gras,
make-uppen de randjes
langs het terras:
overal plantjes met lippenstiftkleuren,
overal bloemen met bloemetjesgeuren.
Daarna het heggenhaar
weg met de heggenschaar –
zo wordt ons tuintje een prachtig gezicht
dat plat naar de zomer
te glimlachen ligt.

(Bron: Superguppie/Querido)

Het beertje (Mies Bouhuys)

Standaard

Het beertje komt naar buiten,
het lijkt wel of hij lacht.
Dat doet hij ook. Hij lacht ook echt.
De zon schijnt op zijn vacht.
Hij kijkt niet één keer achterom,
hij kijkt alleen naar voren.
Hij kijkt alleen maar naar de zon.
Nu is hij pas geboren.

Zijn bruine kop zit vol muziek,
zijn ogen knijpt hij dicht.
Hij wist niet dat het zó zou zijn,
zó mooi, zo warm en licht.
Hij eet ervan, hij drinkt ervan,
hij duikt er diep in onder.
En voor hij inslaapt, bromt hij zacht:
de wereld is een wonder.

(Bron: Kinderversjes/Holland)

Vlinder…fladder, fladder… (Jean Paulssen)

Standaard

vlinder

 

 

Fladder vlinder, fladder
fladder noa de sjunste blom,
drink dich vol mit ozze nectar,
kom mie vlinderke noe kom!

Fladder vlinder, fladder
in die kluuërekleed, dat sjitterend zit,
wilste mich ee bietje helpe,
num va mich get sjtuuëfmeel mit!

Fladder vlinder, fladder
fladder noa die anger blom,
fladder vlinder, fladder
huuër die rupt al: “mie vlinderke, noe kom!”

(Bron: gidder deërke…ee plezeërke/Mooi Limburgs boekenfonds)

Bij de kuikens (Remco Ekkers)

Standaard

Ik zou wel een kip
als moeder willen hebben.

Een beetje roetsjen
van haar rug.

Op kleine pootjes
scharrelen in een hoek.

Ze roept ons wel als zij
iets lekkers vindt.

Hakt het met haar snavel
in kleine kuikenbrokjes.

En ’s avonds met mijn zusjes
lekker warm schuilen
onder de donkere theemuts.

(Bron: Er zit een feest in mij, Querido’s Poëziespektakel 5/Em. Querido’s Uitgeverij BV)

aan de telefoon (Els van Delden)

Standaard

hallo met mij
en wie ben jij
pring pring
ging de bel
bij jou
wat dacht je wel
wie is er nou
weer aan dat ding
ken je mij
heb ik al verteld
dat ik zelf
heb opgebeld
ben je een jij
of ben je u
hoe heet je
ook alweer
hee weet je
ik leg neer
dan hoor jij
tututu
…..

(Bron: Hallo! met mij, kleuterversjes/La Rivière & Voorhoeve)

Dondersteen (Miep Diekman)

Standaard

De kerk van Dommekrachten
heeft er geen toren en geen klok.
Die hebben ze vergeten
en ook de vlaggestok.

Ze gaan de toren bouwen
als ieder klaar met eten is.
Een toren met acht hoeken
omdat dat ‘anders’ is.

Maar niemand heeft er centen
en niemand weet goed hoe het moet.
Zo’n toren is geen peuleschil
van zevenhonderd voet.

Ze hebben wel hun steentje,
hun dondersteentje meegebracht.
De toren wordt van dondersteen.
Dat is niet gek bedacht.

Maar toen het werk gedaan was,
de klok erin, de vlag eruit,
toen riep een Dommekrachter bang:
“Gauw, vlug daar, achteruit!”

Zo zagen ze ’t gebeuren:
de toren ging steeds schever staan
totdat hij op het kerkdag lag
of hij wou slapen gaan.

En alle donderstenen
die kolden voor het kerkportaal.
Nu is de kerk gesloten
voorgoed, voor allemaal.

(Bron: Een liedje voor een centje/Leopold)