Categorie archief: Gedicht voor volwassene

Heerlijk! (Ramses Shaffy)

Standaard

 

Jouw haar is een waterval
Jouw ogen een overal
Jouw schoot is een muizeval
Je bent gewoon heerlijk
Jouw rug is een skivallei
Jouw billen een zomerwei
Jouw benen zijn vogelvrij
Je bent gewoon heerlijk

Je jaagt voor mij de stormen weg
Je waakt over mijn leven
Je lacht aan de wanhoop voorbij
En je doet het alleen maar voor mij
Jij maakt m’n leven zo blij en

Je praat als een waterval
Je vrijt als een overval
Je zwijgt als een muizeval
Je bent gewoon heerlijk
Je verrast me hopeloos
En je verbaast me eindeloos
Je begrijpt me woordeloos
Je bent gewoon heerlijk

Je jaagt voor mij de wolken weg
Je maakt de lucht weer blauw
Door jou krijgt alles weer glans
Door jou ben ik weer in balans
Door jou word ik weer een danser
Je handen hebben een ranke taal
Een slanke taal, een bedanken-taal
En je hebt me dan telkens zo lief
En je zingt kleine geintjes van liefde

En je lacht als een waterval
Je kust als een overval
Je glimlacht als een muizeval
Je bent gewoon heerlijk
Jouw nachten zijn van tijgervacht
Jouw morgens van zonnepracht
Jouw middag is altijd onverwacht
M’n God wat ben je heerlijk

Je hakt voor mij de klippen weg
Je baant voor mij een pad
Het ijs rond mijn hart wordt weer dooi
En je trekt me uit m’n eenzame kooi
Jij maakt m’n leven zo mooi en
Jouw stem heeft een ondertoon
Een boventoon en een wondertoon
En je hebt me dan telkens zo lief
En je zingt kleine geintjes van liefde

Je bent een kano in een waterval
De buit van een overval
De kaas in een muizeval
Je bent gewoon heerlijk!

 

(Bron: Sterven van geluk/Polydor. Opgenomen in: Pluche, de mooiste liedteksten/Nijgh & Van Ditmar)

Voor de verre prinses (Willem Wilmink)

Standaard

En voordat ik ging slapen was er op de radio
een stemmige muziek
een beetje weemoed voor de vaak
een beetje heimwee in de maak
een beetje treurigheid en zo.

Toen is Mevrouw Herinnering met mij op stap gegaan
helemaal naar jou
en ik dacht wat was het fijn
en ik dacht waar zou ze zijn
een heelal of twee hiervandaan.

Een speelse jonge hond was jij, een mooie gekke meid
we waren nog zo jong,
we dachten er niet aan
met elkaar naar bed te gaan
en dat spijt me nog altijd.

Opeens toen was het uit en ben ik bijna doodgegaan
dat vat je zeker wel?
Nu ik die late platen hoor
komt het verleden zuiver door
en ben ik met mijn lot begaan.

Ach wat was dat een voorjaar wat heb ik van je gehouwen
het lijkt weer zo dichtbij
en daar doen we het maar mee
want nu volgt het ANP
en het Wilhelmus van Nassouwe.

(Bron: Goejanverwellesluis/De Arbeiderspers. Opgenomen in: Ooitgedicht/Stichting Collectieve Propoganda van het Nederlandse Boek.

Wolken (Paul van Vliet)

Standaard

Velden vol met engelenhaar
IJspaleizen op elkaar
De tuinen van een tovenaar: zo kunnen wolken zijn.
En dan weer als een grauw tapijt
Van regen, kou en somberheid
Een stille ongelijke strijd waarbij de zon verliest.
Wolken komen wolken gaan
Dag in dag uit en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik de wolken niet, nog altijd niet ken.

Zee en zon en feestgewoel
Dat lichte zwevende gevoel
Een vrouw die weet wat ik bedoel: zo kan de liefde zijn.
En dan ineens die zwarte dag
Het afscheid, een verlegen lach
Een pijn die niemand weten mag
Een hart is maar zo klein.
Liefde komt en zal weer gaan
Als eb en vloed en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik de liefde niet, nog altijd niet ken.

Geloof en hoop een nieuw begin
Een dapper opgeheven kin
Gewoon de wijde wereld in: zo kan je leven zijn.
En dan weer moe en zonder kracht
Als niets of niemand op je wacht
Een tijd die nergens naar je lacht
Zo kan je leven zijn.
Zo zal je leven altijd gaan
Als dag en nacht en langzaam aan
Weet ik nu ik wat wijzer ben
Dat ik het leven niet, nog altijd niet ken.

(Bron: Er is nog zoveel niet gezegd…/Fontein)

Alsof (Johanna Kruit)

Standaard

Het leek alsof we ver weg waren.
We zagen vogels die we niet noemden.
Het was koud maar er bloeiden bloemen
van ijs. Sneeuw viel in onze haren.

Het leek alsof we verdwaalden
in dit bos dat we al jaren wisten.
Maar het was heel anders dan gisteren
toen we elkaar nog niet kenden.

Het leek alsof oude verhalen
uit boeken van heel lang geleden
tussen de sneeuwvlokken zweefden.
En dat wij die mochten vertalen.

(Bron: Kun je zien wat je voelt/Holland)

De stier (Jacques Brel)

Standaard

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet rennen tot ons vermaak
Nee, voor de stier is de zondag meer een óndag
Van zon en bloed, van zand en doodsoorzaak
En alle krentenwegers voelen zich een Don Juan
En alle kostschoolmeisjes dromen van een
      Spaanse man…
Oh!
Wie weet waaraan de stieren denken
Als ze draaien, dansen, zwenken
Zo naakt, zo weerloos, zo melancholiek?
Oh!
Wie weet waarvan de stieren dromen
Opeens oog in oog gekomen
Met alle horendragers in ’t publiek?

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet sterven tot ons vermaak…
De laatste dag dat hij nog in de zon mag:
Daar zijn de picadores… met hun laffe taak!
En alle krentenwegers voelen zich García Lorca
En alle kostschoolmeisjes doen la Carmencita na!

Ach, de stier verveelt zich zo op zondag
Als hij moet sterven tot ons vermaak…
Daar komt de matador, het zwaard al in de aanslag
Daar suist het neer, ’t publiek schreeuwt juichend
      ‘RAAK’
In dat triomfmoment voelen de krentenwegers zich als
      Napoleon!
En alle kostschoolmeisjes voelen zich opeens
      Madame de Maintenon…
Oh!
Zou soms de stier als hij de geest geeft
Dromen wat hij straks voor feest heeft
Als in de de hel de MENS brandt zonder pardon
Oh!
Of zou hij ons in ’t stervensuur
vergeven? Denkend aan het vuur
van Carthago, Waterloo, Verdun, Stalingrad
Hiroshima, Bangladesj, Sinaï, Saigon!

====================

Les toros

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de courir pour nous
Un peu de sable du soleil et des planches
Un peu de sang pour faire un peu de boue
C’est l’heure où les épiciers se prennent pour Don Juan
C’est l’heure où les Anglaises se prennent pour Montherlant
Ah!
Qui nous dira à quoi ça pense
Un toro qui tourne et danse
Et s’aperçoit soudain qu’il est tout nu
Ah!
Qui nous dira à quoi ça rêve
Un toro dont l’œil se lève
Et qui découvre les cornes des cocus

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de souffrir pour nous
Voici les picadors et la foule se venge
Voici les toreros et la foule est à genoux
C’est l’heure où les épiciers se prennent pour Garcia Lorca
C’est l’heure où les Anglaises se prennent pour la Carmencita

Les toros s’ennuient le dimanche
Quand il s’agit de mourir pour nous
Mais l’épée va plonger et la foule se penche
Mais l’épée a plongé et la foule est debout
C’est l’instant de triomphe où les épiciers se prennent pour Néron
C’est l’instant de triomphe où les Anglaises se prennent pour Wellington
Ah!
Est-ce qu’en tombant à terre
Les toros rêvent d’un enfer
Où brûleraient hommes et toreros défunts
Ah!
Ou bien à l’heure du trépas
Ne nous pardonneraient-ils pas
En pensant à Carthage Waterloo et Verdun
Verdun

(Bron: Pluche, de mooiste liedteksten/Nijgh & Van Ditmar. Vertaling: Ernst van Altena)

Falling asleep in class (Kenn Nesbitt)

Standaard

I fell asleep in class today,
as I was awfully bored.
I laid my head upon my desk
and closed my eyes and snored.

I woke to find a piece of paper
sticking to my face.
I’d slobbered on my textbooks,
And my hair was a disgrace.

My clothes were badly rumpled,
and my eyes were glazed and red.
My binder left a three-ring
indentation in my head.

I slept through class, and probably
I would have slept some more,
except my students woke me
as they headed out the door.

(Bron: Ik las met de klas een heerlijk gedicht – Honderd jaargangen Levende Talen/Vereniging van Leraren in Levende Talen)

Paris at night (Jacques Prévert)

Standaard

Drie lucifertjes een voor een aangestreken in de nacht
Het eerste om heel je gezicht te kunnen zien
Het tweede om je ogen te zien
Het derde om je mond te zien
En dan heel het donker om dat alles vast te houden
Als ik je in mijn armen neem.

================

Trois allumettes une à une allumées dans la nuit
La première pour voir ton visage tout entier
La seconde pour voir tes yeux
La dernière pour voir ta bouche
Et l’obscurité tout entière pour me rappeler tout cela
En te serrant dans mes bras.

(Bron: Voor jou mijn lief, vertaald door Wim Hofman/Em. Querido’s Uitgeverij B.V.)

Stil (André Sollie)

Standaard

download

 

Ik weet ook zonder woorden
– een glimlach en een blik –
wat jij bedoelt.

Met honderd mensen om ons heen
zijn we toch helemaal alleen.
wij. jij en ik.

Hoe zal ik je vertellen
hoeveel ik van je hou.
En hoe het voelt.

Het is alsof ik op je lijk.
Zelfs als ik in de spiegel kijk
dan zie ik jou.

(Bron: Altijd heb ik wat te vieren/Querido. Opgenomen in: Zoen me tot ik spin, gedichten over de liefde. Illustratie Wolf Erlbruch/Querido)

De laatste bezoeker (Gie Laenen)

Standaard

Laat de deur maar op een kier.
Dan hoor ik als je komt.
Je hebt heel zachte voeten,
en je lacht al voor je binnenstapt.

Eerst komt je bolhoed binnen
en dan jij.
Je danst zonder muziek.
Je kust zonder lippen.
Zonder adem, adem je.
Zonder mij op te tillen, neem je me mee.

Je kijkt zonder ogen.
Je zweeft zonder vleugels.
Zonder stem fluister je mijn naam.

Mijn duizend duiven
vliegen uit je mond.

Voortaan zullen we
met duizend en één zijn.

(Bron: Elk woord is waar!/Lannoo)

Winterstop (Daniel Billiet)

Standaard

Werkloos dragen de palen nu een witte muts,
geen netten. Geen bal zoeft, maar wind
smasht sneeuw binnen, buiten en op alle lijnen.

Al snel maakt de vorst jonge voeten warm
voor het glijden van een baantje.
Een wilde aanloop en… molenwiekend zoeft
er weer één een ander achterna.
Aan het eind van de baan gaan ze
gewillig tegen het ijs als wenkte hen
een strafschop.
Lachend zoekt elk daar zijn benen,
haar armen en evenwicht bij elkaar.
Terug naar af om zo snel mogelijk te glijden
te vallen tot één kluwen jolijt.

Ziet Jef als hij het gordijntje opzij schuift.
Nu al dagen durft hij niet naar buiten.
Zijn vrouw brak een voet in bed
door zich van linker- op rechterzij te keren.

(Bron: Als de banaan zich kromt/Bakermat)

De geur van tijd (Remco Ekkers)

Standaard

Tijd heeft een geur
ik heb hem zelf
geroken toen mijn vader
het liet zien
het oude kerkje
bij Wijns in Friesland.

‘Moet je eens kijken,’ zei hij.
‘Je ruikt hier een paar eeuwen.’
Ik keek, stak mijn neus
naar voren.

En tussen de muur en de deur
rook ik tijd
stof en verheven woorden
vreugde, oude kleren
tranen en hout.

(Bron: De geur van tijd/Leopold)

Winddicht (Kees Spiering)

Standaard

Wees maar niet bang
voor de wind, al kolkt hij vannacht
rond het huis. Zoekt hij
loeiend, razend, huilend
iets wat zich niet kan verschuilen,
wat hij brullend vast kan grijpen,
los kan rukken, weg kan smijten
om zijn gierende woede te koelen.

Wees maar niet bang
voor de wind, – hij zoekt deze nacht
niet naar jou. Of het zou
moeten zijn om te vertellen
dat op een dag – misschien al gauw –
zal komen waar je al zo lang op wacht.

Wees maar niet bang
voor de wind. Beluister
zijn ruisen. Misschien
vertelt hij vannacht…

(Bron: Een pijl door je maag/Bakermat uitgevers)

Papa (Mart van de Ginste)

Standaard

kindje speelt
piano
vlinderhandjes pasgeboren
zoentjes aan
piano

mama luistert
met haar hartje
en papa
is er niet

papa
op gods linkerpinkje
vangt haar lied
met een vlindernetje

dat weet ze
dus speelt ze

 

(Bron: Strikjes in de struiken, gedichten door kinderen/Davidsfonds-infodok)

De Japansche Steenhouwer (Margot Vos)

Standaard

Een steenhouwer stond aan den voet van een berg
En hakte den steen uit de donkere rots;
Midzomer was ’t en op ’t heetst van den dag:
De zon stond in zenith, stralend en trotsch.

De steenhouwer klaagde: hoe fel brandt de zon;
Geen boom geeft me schaduw in ’t gloeiend ravijn.
Hoe zwaar is mijn arbeid, hoe karig mijn loon!
Ach, zuchtte hij, ‘k wenschte de zon te zijn!

Nauw had hij ’t gezegd, of uit stof en gruis
Vloog hij op en, eer hij ’t recht vatten kon,
Was hij ver boven wolken en bergen en stond
Hij hoog aan den hemel en was de zon.

Hij zag diep beneden zich ’t aardedal
En glinst’rende zeeën en golvend graan;
En hij straalde over bosschen en bergen en riep:
Nu ben ik de machtigste heerscher voortaan!

Maar een donkere wolk sloop het Westen uit,
Gleed over den hemel en vóór de zon,
Zoodat hij de glanzende aarde, ja zelfs
De schitt’rende zee niet meer vinden kon.

De steenhouwer riep: Ach, een wolk is meer
Dan de zon, hoe machtig en schoon hij schijn’!
Zij houdt haar schild voor mijn oog en blind
Ben ik: ‘k wenschte de wolk te zijn!

Nauw had hij ’t gedacht of zijn stralend oog
Werd donker en zwart als een waterkolk
En hij zette zich breed op den hemel uit
Als een machtig schild en hij wás de wolk.

Zijn schaduw lag over de gansche aard’
En nacht werd het in één ogenblik;
De bloemen sloten de kelkjes dicht
En de steenhouwer juichte: Almachtig ben ik!

Maar daar kwam de storm uit den oceaan
En blies in de wolk en verscheurde haar.
De storm is nog machtiger, weende luid
De steenhouwer, dat ik de stormwind waar’!

Nauw had hij gesproken, of ruischend vloog
Hij reeds door de lucht, zonder kleed of vorm.
Tusschen aarde en hemel zong hij zijn lied
Met dond’rende stem en hij wás de storm.

En hij schoot in het honderjarige woud
En maaide de eiken als koren neer,
En hij blies de klokketoren van het dak
Der kerk als was het een haneveer.

En menschen en dieren beefden voor hem;
In het duister meer sprongen de golven hoog.
Maar daar stond een berg aan de wilde kust,
Die niet beefde voor hem en zich niet bewoog.

En de steenhouwer riep: Ach, nog ben ik niet
de grootste der wereld, hoezeer ik woed!
De berg is grooter; hij vreest mij niet,
Staat rustig en sterk op zijn steenen voet.

In duizend eeuwen beweegt hij niet
Zijn rotsenlijf in het rotsravijn.
Sterker is hij, riep de steenhouwer weer,
Dan de storm; ik wenschte de berg te zijn!

Nauw had hij ’t gezegd, of graniet en steen
Groeiden diep in zijn hart en in zijn merg,
En hij rees uit de aarde als een grauwe reus,
Het hoofd in de wolken en wás de berg.

Wellicht had hij eeuwen daar zoo gestaan,
Was daar niet geweest die dwerg aan zijn voet;
Die hakte in de rots met zijn scherp houweel,
Dat de stukken sprongen in overvloed.

En gruizel en puin vielen neer van den berg
En de steenhouwer rilde bij iederen slag.
Zoo zal ik na eeuwen geen berg meer zijn,
Riep hij jammerend, kleiner word ‘k iederen dag!

Wat is mijn rust en mijn hart van steen?
Heer over mij is de onnooz’le dwerg.
O, was ik die hakkende man met houweel!
Dan was ik heerscher over den berg.

Nauw had hij gesproken, of zie, daar stond
Hij weer aan den voet van den berg als weleer,
En hij hakte de steen uit de donkere rots
En hij was dezelfde steenhouwer weer.

 

Bewerkt naar het sprookje van Multatuli

(Bron: Rozemarijn/Wereldbibliotheek N.V. Amsterdam-Antwerpen)