Categorie archief: Geen categorie

De geur van tijd (Remco Ekkers)

Standaard

Tijd heeft een geur
ik heb hem zelf
geroken toen mijn vader
het liet zien
het oude kerkje
bij Wijns in Friesland.

‘Moet je eens kijken,’ zei hij.
‘Je ruikt hier een paar eeuwen.’
Ik keek, stak mijn neus
naar voren.

En tussen de muur en de deur
rook ik tijd
stof en verheven woorden
vreugde, oude kleren
tranen en hout.

(Bron: De geur van tijd/Leopold)

Advertenties

Wedstrijddroom (Wiel Kusters)

Standaard

Mag ik in jouw rolstoel rijden?
Jij eruit en ik erin?

Lekker door de gangen racen.
Ik zal doodstil blijven zitten –
jij gaat rennen als een spin.

Duw mij maar zo hard je kan,
dan verlies ik dat ik win:

ik als eerste door het lint,
jij de winnaar van die sprint.

(Bron: uit een bundel in voorbereiding, Wiel Kusters)

Te koop/For Sale (Robert Lowell)

Standaard

Poor sheepish plaything,
organized with prodigal animosity,
lived in just a year—
my Father’s cottage at Beverly Farms
was on the market the month he died.
Empty, open, intimate,
its town-house furniture
had an on tiptoe air
of waiting for the mover
on the heels of the undertaker.
Ready, afraid
of living alone till eighty,
Mother mooned in a window,
as if she had stayed on a train
one stop past her destination.

=============================

Arm, onnozel speelgoed,
Ingericht met heel wat bitterheid,
Precies één jaar bewoond —
Stond in Beverley Farms
Mijn vaders buitenhuisje
Te koop, nog geen maand na zijn dood.
Leeg, open, nog warm vanbinnen,
Wachtten zijn steedse meubels;
Ze leken ongeduldig uit te kijken
Naar de verhuizer, hoewel de lijkbidder
Pas gisteren was weggegaan.
Gereed, bang
In leven te blijven, alleen, tot haar tachtigste,
Zat Moeder voor het raam versuft te kijken,
Als was ze blijven zitten op een trein
Een halte verder dan daar, waar ze moest zijn.

(Bron: Collected Poems/Farrar, Straus and Giroux. Opgenomen in: Vader, bloemlezing door Gerda Dendooven/Meulenhoff-Manteau.)

Van hier naar hier (Theo Olthuis)

Standaard

Waar het stil is
ga daar rustig zitten

sluit je ogen
neem een atlas
tussen je oren

laat je gedachten
kalmpjes door spannende
landen bladeren

tot ze ergens komen
waar het stil is

daar waar je
rustig ging zitten
om wat van
de wereld te zien.

(Bron: De dichter is een tovenaar/Averbode)

Missing Link (Willy van Doorselaer)

Standaard

‘Rond kerncentrales komt leukemie
in verhoogde concentraties voor,’
zei Bram. Hij zwaaide met een kranteknipsel.
Het werd doodstil in de klas.
Het was de eerste les natuurkunde
na de begrafenis van Koen.

Coussens was een pedagoog. Hij sloeg
de ogen neer en liet de stilte werken.
‘Ik begrijp wat je wil zeggen, Bram,’
zei hij tenslotte. ‘Ik voel wat jullie voelen.
En ik wou dat je gelijk had. Dan volstond het
geen nieuwe kerncentrales meer te bouwen
en de oude vol te storten met beton.
Maar eerst moet bewezen worden…’

‘Maar Tsjernobyl,’ riep Bram.
‘En Sellafield. En…’

‘Ik begrijp wat je wil zeggen, Bram,’
zei Coussens, ‘maar zo eenvoudig
ligt het niet. Neem nu eens het ozongat,
de zure regen, al die additieven in ons voedsel.
Of gewoon de natuurlijke radioactiviteit.
Alles kan van alles oorzaak zijn.
Het is de link waar het om gaat.’

Hij zweeg. Zijn ogen dwaalden naar
de lege stoel van Koen. De link was missing.
‘Ik bedoel: als dat artikel juist is, Bram,
waarom is Koen dan dood? Doel
is honderd kilometer hiervandaan.’

‘Maar hoe kómt het dan dat Koen…’

‘Pech,’ zei Coussens, ‘pure pech.’

(Bron: Dit is het bos, verdwaal hier maar/Houtekiet)

Haast (Frank Eerhart)

Standaard

Het is nog donker buiten
koud vanmorgen
ik moet eruit, voor de katten zorgen
mijn bed is nog warm
maar even terug
heel even liggen en dan vlug
ERUIT, kwart voor acht
de kraan, laat maar gaan
anders loop ik mijn vrienden mis
mijn kop wordt onderweg wel fris
mijn broek, mijn trui
mijn sokken, ze stinken
schone? geen tijd, schoenen, wat drinken
de katten eten, staande ontbijt
naar school, IK BEN WEG
hè hè, net op tijd.

(Bron: Ben ik dat?/Lemniscaat)

Daans Fruitkraam (Chantal Trigallez)

Standaard

Daans zaken gingen niet zo goed,
Hij stond erbij met een treurige snoet.
Die dag kwam Mark Ketting voorbij.
Hij bestudeerde de kraam, weet je wat hij zei?
‘Jouw klanten lopen door, omdat ze niet blijven staan.
Je prijst wel af, maar je prijst niets aan.
Het fruit ligt hier veel te saai allemaal.
Bedenk eens wat leuks, verzin een verhaal.
Mensen willen in iets kunnen geloven,
Dan hoef jij je minder uit te sloven’.

Daan verzon bordjes met:
‘Door deze mango, dans u beter de tango.’
‘Als u wat meer appels bliefde, vond u snel uw Ware Liefde.’
‘Eet sinaasappel, part voor part, en heel is uw gebroken hart.’
‘Van peren eten wordt u sterk en heeft u meer sjans op uw werk.’
En toen Mark Ketting hem weer bezocht,
Was Daans fruitkraam uitverkocht.

(Bron: Je bent om te smullen! Blije Gezichten Gedichten/Uitgeverij De Zaak)

Maatje (anoniem)

Standaard

makker, vriendje, kameraad
hoog in het woud is bomenpraat
we bouwen er een spijkerhuis
ik fluister: hoor het stemgeruis

ik heb een dromenopbergplek
m’n eigen bed is net een afdruiprek
jij vond me een dekenzee zonder orkaan
ik fluister: geen droom zal ooit vergaan

daar loopt een stiekem zaklamp mens
onder ons hoogtehoutenhuis
hee maatje, wat is je grootste wens?
jij roept uit: wolken aanraken, een heel lief thuis

je vertelt mij ál je lachmachientjes
mijn buik rimpelt zo gek, net jouw grootje
we zingen liedjes en m’n ribben trillen
jij roept uit: lijkt wel of we vliegen met dit bungalowtje

ik schater het uit, jij komt niet meer bij
verstoppertje, dans voeten- en armenbrij
wat als we vallen uit dit spijkerparadijs?
‘k fluister: dan word je een hagelbui van limonade-ijs

saaie rekensommen, heel erg computerpijn
wil iemand vragen hoe alle geheimen zijn
m’n bloedbroeder vertrok met de watertrein
‘k fluister: niemand om mee te fietsen, tril van pijn

in mijn dromenopbergstek
verkennen we de wereld wijde plek
ik opereer je hart met een computerhand
jij zegt zacht: een heel lief meisje, ik sta in brand



(Met dank aan een student aan de Pabo in Groningen)

Moederlief! (Hieronymus van Alphen)

Standaard

05_shop_behangpoezie


Moederlief! Zie daar een roosje
van uw Koosje,
Wijl gij heden jarig zijt.
‘k Heb vanmorgen al gezongen,
En gesprongen:
Zoo verlangde ik naar dien tijd.

Maar kan ik geen rijmpjes dichten,
Moet ik zwichten
Voor mijn broêr in poëzij.
Neem dan, Moeder!
slechts dit roosje
van uw Koosje,
‘k Heb u toch zoo lief als hij.

(Bron: Dichtwerken van Mr. Hieronymus van Alphen Tweede deel/Terveen)

Vader (Gil Vander Heyden)

Standaard



Vroeg loop je het donker in,

slaat het om als een jas,

roept ‘tot vanavond!’ zonder

je naar ons om te keren.

Wij, bij de achterdeur, leunend

tegen het veilige keukenlicht,

onze mond vol brood en jam,

zwaaien je restjes warmte na.


Blij dat we nog wat kunnen blijven.





Vader

(Uit de nieuwe bundel kindergedichten ‘KLEINE STEMMEN’. Met tekeningen van André Sollie. Presentatie : zaterdag 16 maart om 15 uur in Galerie Ludwig Trossaert, Museumstraat 29, Antwerpen.)

Stekelvarkentjes wiegelied (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Suja suja Prikkeltje, daar buiten schijnt de maan,
je bent een stekelvarkentje, maar trek het je niet aan,
je bent een stekelvarkentje, dat heb je al begrepen,
De leeuwen hebben manen en de tijgers hebben strepen
en onze tante eekhoorn heeft een roje wollen staart,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dát is zoveel waard.

Slaap, mijn kleine Prikkeltje, dan wordt je groot en dik,
dan wordt je net zo’n stekelvarken als je pa en ik.
Het olifantje heeft een slurf, de beren hebben klauwen,
de papegaai heeft veren, van die groene, van die blauwe,
en onze oom giraffe heeft een héle lange nek,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is ook niet gek,

Suja suja Prikkeltje, het is al vreselijk laat,
je bent het mooiste stekelvarken, dat er maar bestaat,
de poezen hebben snorren en daar kunnen ze door spinnen,
de koeien hebben horens en de vissen hebben vinnen,
en onze neef, de otter, heeft een bruinfluwelen jas,
maar jij hebt allemaal stekeltjes, die komen nog te pas.