Paris at night (Jacques Prévert)

Standaard

Drie lucifertjes een voor een aangestreken in de nacht
Het eerste om heel je gezicht te kunnen zien
Het tweede om je ogen te zien
Het derde om je mond te zien
En dan heel het donker om dat alles vast te houden
Als ik je in mijn armen neem.

================

Trois allumettes une à une allumées dans la nuit
La première pour voir ton visage tout entier
La seconde pour voir tes yeux
La dernière pour voir ta bouche
Et l’obscurité tout entière pour me rappeler tout cela
En te serrant dans mes bras.

(Bron: Voor jou mijn lief, vertaald door Wim Hofman/Em. Querido’s Uitgeverij B.V.)

De slobbers (Roald Dahl)

Standaard

big-ugly

(uit Sjakie en de grote glazen lift)

Soppend in de sloeriblubber
modd’rend in de grobbepol
glett’ren in het schimmerig spookuur
al de slobbers naar hun hol.

Je kan zachtjes horen slijmen,
glis en hissend in de gluist.
Al die oliebollenlijven
voorwaarts glippend in de duist.

Scheer je weg, o, rol en boller
door het blub en blobberbos.
Spring, hol, ren en tracht te slippen
al die slobbers lopen los!

================

GROBES

In the quelchy quaggy sogmire,
In the mashy mideous harshland,
At the witchy hour of gloomness,
All the Grobes come oozing home.

You can hear them softly slimeing,
Glissing hissing o’er the slobber,
All those oily boily bodies
Oozing onward in the gloam.

So start to run! Oh, skid and daddle
Through the slubber slush and sossel!
Skip jump hop and try to skaddle!
All the grobes are on the roam.

 

(Bron: Roald Dahl, Rijmen en verzen/Rubinstein. Songs and Verse/Jonathan Cape)

Nachtrit (Kees Spiering)

Standaard

We vertrokken laat, de maan hing hoog,
wij moesten slapen maar zagen dat bos
zwart langs onze ruiten vloog. Lampen
van andere auto’s, vaders achterhoofd.
Zijn handen bevriend met het stuur.
Groene lichtjes, rode – codes voor
snelheid, toeren, uur – in moeders oog
als zij zich zijwaarts boog.

We arriveerden vroeg, de maan hing laag,
we hadden niet geslapen, dachten we graag.
Ons dorp nog niet ontwaakt, niemand wist
dat we er waren. Nog één keer draaide vader
aan het stuur. Koplamplicht schoof langs
de muur van ons huis. “Fijn,” zei moeder,
“we zijn thuis.” De hele nacht samen
geweest. Elkaar voor de garage weer ontmoet.

(Bron: Een pijl door je maag/Bakermat)

Stil (André Sollie)

Standaard

download

 

Ik weet ook zonder woorden
– een glimlach en een blik –
wat jij bedoelt.

Met honderd mensen om ons heen
zijn we toch helemaal alleen.
wij. jij en ik.

Hoe zal ik je vertellen
hoeveel ik van je hou.
En hoe het voelt.

Het is alsof ik op je lijk.
Zelfs als ik in de spiegel kijk
dan zie ik jou.

(Bron: Altijd heb ik wat te vieren/Querido. Opgenomen in: Zoen me tot ik spin, gedichten over de liefde. Illustratie Wolf Erlbruch/Querido)

Het sparretje (Han G. Hoekstra)

Standaard

ande030spro08ill0069

Baas Jochem Piroen van der Mos
ging met z’n karretje naar het bos.
Hij had z’n dikke duffel aan,
ieder vond hem die prachtig staan.
In ’t bos waren de fraaiste bomen,
waarvan je maar zou kunnen dromen.
Er waren berken, beuken, eiken,
je kon er niet genoeg naar kijken.
Maar dáárvoor kwam baas Van der Mos
niet met z’n karretje naar ’t bos.

O neen het was Jochem Piroen
alleen om sparretjes te doen.
Toen hij er veertig; vijftig had,
reed hij er blij mee naar de stad.
Het was al laat, het werd al donker
en bij het eerste stergeflonker
en een verbazend ronde maan,
kwamen ze in de Hoofdstraat aan.
Heel achter op het karretje
stond een erg fijn, klein sparretje.

Je snapt wel, dat op ’t bomenplein
ieder er ’t eerste bij wou zijn.
Er werd verschrikk’lijk druk gezocht,
al gauw was alles uitverkocht.
Alleen dat kleine, groene joch,
dat sparretje, dat stond er nog.
Men zei: ‘Het is wel mooi en fijn,
Maar wat te mager en te klein…
het is wel aardig maar ach, néé,
geef mij toch maar een gróte mee!’

Maar toen is Klaasje Piek gekomen
en heeft het boompje meegenomen.
Had Klaasje Piek dat niet gedaan,
dan had het er nu nog gestaan.
Hij strooide ’t vol met bellen, klokjes,
met engelenhaar en witte vlokjes.
En toen het eind’lijk Kerstfeest was
-de kaarsjes aan!- toen zag je ’t pas:
dat boompje dat haast elk vergat
was ’t mooiste boompje van de stad.

(Bron: Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen/Querido. Oorspronkelijk: De kikker van Kudelstaart/Querido)

Wiegenliedje (Djoos Utendoale/Joris Declercq)

Standaard

Slapt mo, myn iengeltje
slapt mo… toe
Slapt mo, je zy’ zo moê.
Bie jun up’t schouwke
lacht ’t Lieve Vrouwke.
Slapt mo, slapt mo… toe.

Sluut nu jun oogsjes mo,
sluut ze mo, gouw !
sluut ze mo, douwe)douw-douw !
Moeke an jun wiegsje
verjoagt de vliegsjes…
slapt mo, slapt mo, douw…

Lacht in jun droom’n, kind,
Lacht mo, douw !
’t Leven vergoat zo gauw…
Nog zoenger zorgen, gy !
geën roöi vor morgen, nie
slapt mo… lacht mo… douw…

(Bron: Westhoekse poëzie/Schoonaert Roesbrugge)

’s Avonds, tegen een uur of acht… (Gerard Berends)

Standaard

’s Avonds tegen een uur of acht,
sluit ik alle ramen en deuren en boeken.

Misschien gaat het wel waaien,
hard waaien en dan vliegen er
kikkers tegen het raam die prinsen zijn,
of kloppen er boze wolven op de deur
die zeggen dat ze mijn moeder zijn.

Als het binnen waait,
vallen er vreemde woorden uit boeken
die ik niet begrijp.

(Bron: Waaien, hard waaien/Querido. Opgenomen in: Leesletters//Uitgeverij De Inktvis)

De tol en de bal (Martine Bijl)

Standaard

‘Wil je met me trouwen?’ vroeg de tol aan de bal,
‘we wonen tóch al samen, in de la.
Jij springt, ik draai… Je wilt toch wel?
Wat vind je, meid? Zijn wij een stel?
Ik heb een prachtig puntje! Zeg je ja?’

‘Zeg, bent u niet lekker?’ zei de bal, ‘bent u blind?
U bent toch zeker geen partij voor mij?
Ik ben van ’t allerduurste leer,
zo zacht… dat ziet men haast niet meer!
En daar komt nog iets bij – ik ben niet vrij.

Telkens als ik stuiter in de lucht,’ zei de bal,
‘dan roept de zwaluw: ‘Liefste!’ in mijn oor:
Voorlopig zijn wij toebedeeld
aan ’t jongetje dat met ons speelt…
maar als hij groot is, ga ik ervandoor.’

De bal mocht vaak naar buiten, in de tuin bij het huis.
De tol zag haar steeds hoger in de lucht,
en op een dag ging ze zó hoog…
het leek waarachtig of ze vloog!
Hij wachtte… maar ze kwam niet meer terug.

Ach, wat had de tol een diep verdriet om de bal.
Zij woonde vast bij hém, in ’t liefdesnest!
En iets wat je niet krijgen kan
daar hou je nog het meeste van…
Die zwaluw had het allemaal verpest.

Maar na lange tijd dacht hij steeds minder aan haar:
dat gaat zo met de jaren, alles slijt.
Toen werd hij uit de la gepakt
en opgeschuurd en goud gelakt…
opeens weer jong en fris, na al die tijd!

Ja, hij mocht weer spelen met het kind van het huis,
hij voelde weer het klappen van de zweep!
Hij danste vrolijk op de straat
maar toen opeens…zoals dat gaat…
te wild! Daar ging de tol over de streep!

Hij vloog door de lucht, haast net zo hoog als de bal…
en viel toen in een poel van vuil en stank.
Het vuilnisvat! Viés dat het was!
Hij dacht: daar gáát mijn gouden jas…
tot iemand naast hem zei: ‘Nou ja, goddánk!’

’t Leek een rotte appel, maar het wás dus de bal,
die drie jaar in de goot gelegen had.
‘Een echte heer!’ zei ’t vieze ding,
‘een gentleman uit eigen kring!
Die treft men niet vaak aan in ’t vuilnisvat!’

‘Kijk, ik hád verkering, maar ik viel in de goot
en ging daar vele jaren door een hel.
Daar komt een meisje, glad van huid,
helaas niet ongeschonden uit…
maar schoonheid zit vanbinnen, zegt men wel.’

‘Wilt u met mij trouwen?’ vroeg de bal aan de tol,
‘ik ben gemaakt van ’t allerduurste leer.
Ik zie meteen, zonder een woord,
dat u bij Ons Soort Speelgoed hoort!’
Poeh, dacht de tol, en nou wil ik niet meer.

‘Daar! Mijn gouden tol!’ juichte de stem van ’t kind.
Hij werd tussen de troep vandaan gevist,
en zij, die zoveel praatjes had
bleef achter in ’t vuilnisvat…
En denk maar niet dat hij haar ooit nog mist!

(Bron: Er was eens… Sprookjes op rijm/Blue in Green Publishing)

Verleden (Remco Ekkers)

Standaard

Op zolder vonden we een bed
van snippers van een krant
van negentienhonderd elf:
‘Zoo dat de vischboer stierf.’

De muizen vonden het best.
Ze vraten zich een nest
rond de dubbele oo, maakten
een wieg voor hun kroost.

Ze zijn als de vischboer
tot stof weergekeerd
en wij lezen onze toekomst:
een nest in oude spelling.

(Bron: De geur van tijd/Leopold)

Op wacht in de nacht (Vera Witte)

Standaard

Pinkel pinkel sterretjes,
daar buiten schijnt de maan.
Nu mogen alle poppetjes
weer lekker slapen gaan.

Maar één moet wakker blijven,
de hele lange nacht.
Soldaatje Ket, die flinkerd,
houdt bij ’t paleis de wacht.

Hij staat er in zijn hokje
dicht bij de grote poort.
Daar luistert hij aandachtig
of hij soms onraad hoort.

Het is wel saai en stil, hoor.
Geen popje is op pad.
Maar wacht eens zeg…hij hoort iets
“Miauw!” Dat is de kat.

Die komt eens even kijken.
Hij trippelt om hem heen.
“Gezellig,” zegt de schildwacht.
“Nu ben ik niet alleen.”

(Bron: De poppetjes van Dollieland/De Eekhoorn)

De laatste bezoeker (Gie Laenen)

Standaard

Laat de deur maar op een kier.
Dan hoor ik als je komt.
Je hebt heel zachte voeten,
en je lacht al voor je binnenstapt.

Eerst komt je bolhoed binnen
en dan jij.
Je danst zonder muziek.
Je kust zonder lippen.
Zonder adem, adem je.
Zonder mij op te tillen, neem je me mee.

Je kijkt zonder ogen.
Je zweeft zonder vleugels.
Zonder stem fluister je mijn naam.

Mijn duizend duiven
vliegen uit je mond.

Voortaan zullen we
met duizend en één zijn.

(Bron: Elk woord is waar!/Lannoo)

Winterstop (Daniel Billiet)

Standaard

Werkloos dragen de palen nu een witte muts,
geen netten. Geen bal zoeft, maar wind
smasht sneeuw binnen, buiten en op alle lijnen.

Al snel maakt de vorst jonge voeten warm
voor het glijden van een baantje.
Een wilde aanloop en… molenwiekend zoeft
er weer één een ander achterna.
Aan het eind van de baan gaan ze
gewillig tegen het ijs als wenkte hen
een strafschop.
Lachend zoekt elk daar zijn benen,
haar armen en evenwicht bij elkaar.
Terug naar af om zo snel mogelijk te glijden
te vallen tot één kluwen jolijt.

Ziet Jef als hij het gordijntje opzij schuift.
Nu al dagen durft hij niet naar buiten.
Zijn vrouw brak een voet in bed
door zich van linker- op rechterzij te keren.

(Bron: Als de banaan zich kromt/Bakermat)

Verlanglijst van Sinterklaas (Johanna Kruit)

Standaard

sint

 

Nooit meer varen.
Lekker sparen
alle centen die ik heb.

Nooit meer op een schimmel rijden.
Nooit meer van een dak afglijden.
Lekker luieren in bed.

Nooit meer rode mijters, jassen.
Nooit meer minzaam moeten lachen.
Pepernoten ?? Weg ermee !

Nooit meer speculazen eten.
Alle wind en kou vergeten
en gaan zwemmen in de zee.

Alle Pieten oplawaaien
en naar leuke meisjes zwaaien….

Help !! Ik zoek een nieuwe Sint
die dit briefje vindt.