Tagarchief: bellen blazen

De gouden bel (Peter Jaspers)

Standaard

Het gebeurde op een middag
ongeveer om kwart voor één
Manja was aan ’t bellen blazen
in de kamer. Heel alleen…

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine groentjes, hele stellen,
zweefden statig naar omlaag
en verdwenen op haar handje,
op een kussen, op een plantje,
op het kantje van haar kraag.

Toen gebeurde daar dat wonder,
dat een bel, meer goud dan geel,
rustig op het kleed bleef liggen,
groot en glanzend, rond en heel.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine witjes, niet te tellen,
zweefden in een grote kring,
zweefden langzaam met z’n allen
en vergaten om te vallen,
zomaar, van verwondering.

Kleine Manja zat te kijken
naar dat sprookje om haar heen,
naar de weerschijn van de kleuren
en de gouden bel alleen.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine groentjes, hele stellen,
zagen toen haar handje gaan
om de gouden bel te strelen,
die er uit zag om te stelen,
zachtjes raakte ze hem aan.

Met een teer, onhoorbaar spatje
was de bel er toen niet meer.
En de and’ren, met z’n allen
daalden op de dingen neer.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine witjes, niet te tellen,
zweefden statig naar omlaag,
maar die ene grote gouden
zal ze altijd goed onthouden…
’t Was om kwart voor één. Vandaag.

(Bron: De gouden bel. Kindergedichten/Baarn)

Advertenties

Het kind blaast bellen (Jan Luiken)

Standaard

omstreeks 1700

Gelijk de rond geblazen Bel,
Nadat hij sierlijk was verschenen,
(Tot vreugd van ’t kinderlijk gestel)
Weer ogenblik’lijk is verdwenen:
Zo is de wereld in haar staat,
Die haar beminnaars snel verlaat.