Tagarchief: Bevroren plas

Bevroren plas (Hans Dorrestijn)

Standaard

Het vriest. We zijn aan ’t schaatsen.
We zijn aan ’t schaatsen en ’t vriest.
Twee ver vooruit. Ik ben de laatste.
Ik ben de eerste die verliest.

We schaatsen eerst nog met zijn drieën.
Een vriend erbij. Die is sportief.
Ik sta wankel op mijn knieën,
maar ging toch mee. Ik heb haar lief.

Het ijs is prachtig. Zwart als marmer
met hier en daar een parel wit,
uit verre streken en veel warmer.
Nu schaats ik een verloren rit.

De lucht is grijs. Het riet is oker.
Of lichtbruin? Er tussenin.
De vrieskou maakt me kettingroker.
Wat doet mijn vriend met mijn vriendin?

Ze zijn uit het zicht verdwenen.
En ik ben haar voor eeuwig kwijt.
Ik heb half bevroren tenen
en ik haat sportiviteit.

Ik sta stil en hoor de stilte.
Zij is voor mijn vriend gezwicht.
Het ijs weerspiegelt zonder kilte
een verliezer met een rood gezicht.

Hiervan zal ik nooit genezen.
Mijn hele leven in de prak!
Het is het beste om dood te wezen.
Hoera, hoezee! daar is een wak!

(Bron: Ik heb een kind dat ik wil houden/Bert Bakker)

Advertenties