Tagarchief: C. Buddingh’

De drommeldaris (C. Buddingh’)

Standaard

Ik ben een arme drommeldaris,
Wat zelden leuk en meestal naar is.

Mijn pa zat al in de puree:
Daar krijgt een kind een tik van mee.

Een half jaar voor ik werd geboren
Versnoepte hij zijn laatste oren,

Zodat ik doof ter wereld kwam,
Wat ook erg naar was voor mijn mam,

Ik was niet snug, maar ook niet bijster
Dom: ik kon zingen als een lijster,

En snorren met mijn fillewip,
Ik dacht: mijn vinkie is geknipt.

Maar mijn zang viel niet in de smaak en
Van mijn gesnor kon men wel braken,

En zoals ’t meer in ’t leven gaat
Verviel ‘k van ergernis tot kwaad.

En zette glashard een sjimozzel
Op ’t buiten van de bozbezbozzel.

Maar ‘k werd gegrepen op de gang,
En nou zit ik in het gevang,

En eet daar brood met spinnekoppen
En fijngemalen loddemoppen.

Eén troost bleef m’in mijn ongerief:
Mijn mam schrijft m’elke week een brief.

Toch: als dit al ’s levens plezier is
Ben ‘k net zo lief een drommelhieris.

(Bron: Ongerijmde rijmen/Het Spectrum. Oorspronkelijk: Gorgelrijmen/Bruna)

Zegt men (C. Buddingh’)

Standaard

Je moet, zegt men, een keer volwassen worden.
En bedoelt dan, waarschijnlijk, heel serieus
over God, Staat en Vaderland meemummelen,
en nooit eens roepen: ‘Krijg een dikke neus!’

Geen grapjes maken over het soort zaken
waarmee zelfs een magnaat te worstelen heeft.
Vooral, wanneer hij door een Hongkonggriepje
geveld is. En plots merkt dat hij nog leeft.

De kans bij mij is, volgens de bookmakers
van Londen: 13.000 tegen 1.
En die, zegt men, verstaan hun vak. Helaas:

ik zal dus altijd onvolwassen blijven.
En ik moet toegeven: bij elke schimmel,
denk ik nog steeds: ‘Ha, ’t paard van Sinterklaas!’

(Bron: De eerste zestig/De Bezige Bij)

Ballade van de pantippel (C. Buddingh’)

Standaard

De pantippel werk geboren
Op een mooie dag in mei,
Met een arendsneus van voren
En een ezelsoor opzij.

Toen hij nauwelijks dertien jaar was
Zond zijn moeder hem naar zee,
En omdat hij niet goed gaar was
Ging zijn vader met hem mee.

Op ‘De wijlen Christoph Wieland’
Monsterden zij monter aan,
Doch het schip is reeds voor Vlieland
In een noorderstorm vergaan.

’t Laatste wat de meeuwen zagen
Was een zachtgeel ezelsoor,
Flappend in de regenvlagen —
Toen ging ook dat oor teloor.

(Bron: Alle gorgelrijmen/Bruna)