Tagarchief: Han G. Hoekstra

Er was eens een mannetje (Han G. Hoekstra)

Standaard

abra007rijm02ill119

 

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat bouwde zijn huisje al op het ijs.
Toen het zijn huisje had gebouwd,
ging het verheugd zijn pijpje roken.
Toen het zijn pijpje had gerookt,
dacht het: Wie moet mijn potje koken?

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een vrouwtje al op het ijs.
Het vrouwtje kookte een pot met snert,
ze namen tien volle borden elk.
Toen het op was, zei het mannetje:
‘Nu nog een beker warme melk!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een koebeest al op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt.
‘Kijk,’ zei het mannetje na een tijd,
‘nu nog een eitje aan ’t ontbijt!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een kippenhok op het ijs.
Het huisje gebouwd, het pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld. Het mannetje zei:
‘Nu nog een stukje spek erbij!’

Er was eens een mannetje dat was niet wijs,
dat haalde een varken al op het ijs.
Het varken at zijn buikje rond.
Tenslotte woog het vijfhonderd pond.
Huisje gebouwd, pijpje gerookt,
koetje gemolken, potje gekookt,
eitje gepeuzeld: Krak-krak-krak!
Alles is door het ijs gezakt!

(Bron: Versjes uit de grabbelton/Meulenhoff)

Advertenties

Het sparretje (Han G. Hoekstra)

Standaard

ande030spro08ill0069

Baas Jochem Piroen van der Mos
ging met z’n karretje naar het bos.
Hij had z’n dikke duffel aan,
ieder vond hem die prachtig staan.
In ’t bos waren de fraaiste bomen,
waarvan je maar zou kunnen dromen.
Er waren berken, beuken, eiken,
je kon er niet genoeg naar kijken.
Maar dáárvoor kwam baas Van der Mos
niet met z’n karretje naar ’t bos.

O neen het was Jochem Piroen
alleen om sparretjes te doen.
Toen hij er veertig; vijftig had,
reed hij er blij mee naar de stad.
Het was al laat, het werd al donker
en bij het eerste stergeflonker
en een verbazend ronde maan,
kwamen ze in de Hoofdstraat aan.
Heel achter op het karretje
stond een erg fijn, klein sparretje.

Je snapt wel, dat op ’t bomenplein
ieder er ’t eerste bij wou zijn.
Er werd verschrikk’lijk druk gezocht,
al gauw was alles uitverkocht.
Alleen dat kleine, groene joch,
dat sparretje, dat stond er nog.
Men zei: ‘Het is wel mooi en fijn,
Maar wat te mager en te klein…
het is wel aardig maar ach, néé,
geef mij toch maar een gróte mee!’

Maar toen is Klaasje Piek gekomen
en heeft het boompje meegenomen.
Had Klaasje Piek dat niet gedaan,
dan had het er nu nog gestaan.
Hij strooide ’t vol met bellen, klokjes,
met engelenhaar en witte vlokjes.
En toen het eind’lijk Kerstfeest was
-de kaarsjes aan!- toen zag je ’t pas:
dat boompje dat haast elk vergat
was ’t mooiste boompje van de stad.

(Bron: Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen/Querido. Oorspronkelijk: De kikker van Kudelstaart/Querido)

Muziek in de keuken (Han G. Hoekstra)

Standaard

hoek017verl01ill24

 

Twee uur slaat de Westertoren,
als je luistert kan je horen
hoe Margreet de vaten wast
met de wollen vatenkwast.
Bekers en bordjes die baden gaan,
heffen een vrolijk liedje aan.
Potje, pannetje.
lepeltje, kannetje,
potje, pannetje,
breek me niet!

Buikje de melkkan is een snoever,
staat al schoon op de gootsteen-oever;
proestend en druipend, met luid geklater
komen de theekopjes boven water.
De suikerschep die wat langzaam is,
zwemt nog wat rond als een zilvervis.
Potje, pannetje.
lepeltje, kannetje,
potje, pannetje,
breek me niet!

De eierdopjes staan op een rij;
ze wachten en denken: “Waar blijft ons ei?”
Heel behoedzaam droogt Margreet
Oma’s kopje dat Sèvres heet.
En het laatste, glanzend-warm,
komen twee lepeltjes, arm in arm.
Potje, pannetje.
lepeltje, kannetje,
potje, pannetje,
breek me niet!

(Bron: Het verloren schaap/Meulenhoff)

De sterren (Han G. Hoekstra)

Standaard

Wat jij vanavond ‘ns moest doen?
Naar me kijken, ik ben een ster.
Ik ben er maar één van de tien miljoen,
en ik ben ver weg, héél ver.

Je kan me alleen zien bij helder weer,
geen wolken dus, en flink donker.
Ik sta in de buurt van de Grote Beer,
en ze zeggen dat ik mooi flonker.

Ik zal heel goed opletten of je er bent.
Ik ben wit, met een pietsje blauw.
En als jij dan zwaait als je me herkent,
dan knipoog ik naar jou.

(bron: De kikker van kudelstaart en andere versjes/Amsterdam)