Tagarchief: Jan Boerstoel

Het land van vroeger (Jan Boerstoel)

Standaard

Ik zit alweer op m’n kamer
met de atlas in m’n hand.
En buiten gaan er kinderen te keer.
Mijn vrienden, maar ik hoor ze al niet meer.
Want ik ben ik gedachten weer vertrokken
naar dat land.
Het land van vroeger waar ik ben geboren.

Ik zie weer hoge bomen
voor een blauwe bergenrij.
En houten huisjes, haveloos en klein.
En kinderen die ook aan ’t spelen zijn.
Maar dit keer lijken al die vreemde
kinderen op mij.
En even zou ik bij ze willen horen.

Natuurlijk weet ik best:
‘Het leven is daar niet zo goed.
Ik zou het niet voor Holland willen ruilen.’
Maar denk ik aan mijn moeder,
die daar ook nog leven moet,
dan moet ik wel eens stiekem even huilen.

Ik voel me soms een beetje als een boom
die is verplant.
En die, al groeit-ie door in vreemde grond,
blijft treuren om het bos waarin hij stond.
Al heb ik hier een beter leven dan ik in dat land,
het land van vroeger ooit had kunnen krijgen.

Mijn vader en mijn moeder hier,
die houden veel van mij.
dat laten ze me merken, alle twee.
Mijn broer en zus die vallen ook wel mee.
En als ze me eens pesten, dat ik anders ben dan zij,
dan roep ik enkel: ‘Kijk toch naar je eigen.’

Ik hou dus van mijn ouders,
van mijn broer en van mijn zus.
Ik zou mijn hele spaarpot voor ze willen geven.
Maar als ik aan mijn moeder denk,
mijn echte moeder dus,
dan komen soms die tranen toch weer even.

Ik zit weer op mijn kamer
met de atlas in m’n hand.
En zie wat ik al zo veel keren zag,
en weet dat ik terug wil op een dag.
Terug wil naar de mensen
in dat verre, vreemde land.
Het land van vroeger,
waar ik van blijf dromen.
Het land van vroeger
om weer thuis te komen.

(Bron: Kinderen voor Kinderen deel 10/VARAgram, opgenomen in: Roltrap naar de maan, Nederlandse kinderliedjes vanaf 1950 voor kleine en grote mensen/Novella Uitgeverij

Snoepen (Jan Boerstoel)

Standaard

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kunt knallen.
Kun je nog een toffie op?
Of een stukkie suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet!

‘Kind, je moet niet zo veel snoepen!’
zucht je tante Willemijn
en dan neemt ze nog een slokje
van haar glaasje brandewijn.
Wat dat hééft je lieve tante
als het over snoepen gaat,
na een borreltje of drie dan
krijgt ze last van goeie raad.

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kunt knallen.
Kun je nog een toffie op?
Of een stukkie suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet!

‘Kindje, denk toch om je tanden!’
roept je wijze oom Johan
en dan draait hij nog een sjekkie,
want daar hoest hij lekker van.
Wat voor kinderen gezond is
weet je oom Johan precies.
Reuze jammer, dat hij zelf zich
nooit eens houdt aan zo’n advies.

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kunt knallen.
Kun je nog een toffie op?
Of een stukkie suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet!

(Bron: Last van goeie raad. Kinderliedjes 1973-1984/Amsterdam)

Geen kind meer (Jan Boerstoel)

Standaard

Je leeft je eigen leven,
wat zij er ook van vindt,
je bent allang geen kind meer.
Je wilt erover praten,
maar niet op die manier,
je zult haar best verdriet doen,
maar niet voor je plezier.
Wat moet je nog met haar en
met haar ouderlijk gezag?
En dan opeens, dan is-ie er, die dag…

De dag waarop je moeder sterft,
de dag die je dagen
van dan af aan wat grijzer verft,
al hou je niks te klagen:
je hebt je goede vrienden nog,
die staan je ook dichtbij
en als je soms een minnaar zoekt,
dan staan ze in de rij.

Maar niemand zal meer weten
hoe je met je pop kon spelen
en niemand zal nog ooit
je vroegste vroeger met je delen.
De dag waarna je nooit meer
kwetsbaar wezen mag en klein,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Wat al die jaren fout ging
komt dan niet meer terecht
en wat je nog wou zeggen
blijft eeuwig ongezegd:
de machteloze frasen
van je genegenheid
en dat het niet haar schuld was
en ook dat het je spijt.
De dingen die je lang niet zeggen kon
en zeggen wou
en dan zo graag nog één keer zeggen zou…

De dag waarop je moeder sterft,
dat jij wordt losgelaten
en al haar eigenschappen erft,
die jij zo in haar haatte:
de scherpe tong, de bokkenpruik,
deze zure schooljuffrouw,
die zullen ze dan binnenkort
herkennen gaan in jou.

En hoop´lijk ook de and´re kant:
de aardige, de zachte,
maar of je die hebt meegeërfd
valt nog maar af te wachten.
De dag waarna de rest
een kwestie wordt van tijd en pijn,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Winterslaap (Jan Boerstoel)

Standaard

Zo’n egeltje, dat in november slapen gaat
en dromend alles mist: de Sint als kreupelrijmer,
de kerstcommercie en het oudejaarsgemijmer,
de nieuwjaarsborrels en de nieuwjaarsleuterpraat,

fantastisch toch? En wat hem verder blijft bespaard:
sneeuw, ijs en hagelbuien, bibberen en rillen
en carnaval… Zoiets zou u toch ook wel willen?
Pas als de lente terugkomt in de loop van maart

ontwaakt hij fit en fris na bijna twintig weken.
En daarna gaat hij een verkeersweg oversteken.

(bron: Een beetje wees/Bert Bakker)