Tagarchief: Koning

Het kameeltje (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Er was een oude koning in een zilveren paleis,
hij was heel goed en nobel, en zijn baard was lang en grijs.
Nu moet je weten, dat die koning een kameeltje had,
een lief klein wit kameeltje, dat gewoonlijk naast hem zat.
Hij nam het mee uit wandelen; ’t zat bij hem op de troon
en alle mensen in dat land, die vonden het gewoon,
behalve dan de koningin. Ze kon het niet goed velen.
Ze hield wel van de koning, maar ze hield niet van kamelen.

Toen zei de oude koning: Zit niet altijd zo te vitten
en voortaan moet het lieve dier bij ons aan tafel zitten.
Toen zweeg de koningin een poos. Ze zuchtte en ze sprak:
Hier lieve, neem wat appelmoes en neem een bal gehak.
En het kameeltje zat aan tafel met een grote slab
en het kameeltje kreeg ook soep en rijst met bessesap.

En op een goeie ochtend zei de koning welgemoed:
Ik wil ’t kameeltje mee naar bed, dat vind je toch wel goed?
Nee, zei de koningin beslist, nou zit het me tot hier!
Nu hangt het me de keel uit, dat verschrikkelijke dier.
‘k Wil wel een teddybeer in bed, dat kan me echt niet schelen
en ik wil heus van alles in m’n bed. Maar geen kamelen!

Toen ging de koning schreien, en de hele vloer werd nat.
Hij snikte en hij jammerde: Ik mag ook nooit ’s wat!
Vooruit dan maar, vooruit dan maar, zo zei de koningin.
Nu gaan ze altijd slapen met ’t kameeltje tussenin.

Advertenties

De Kikker en De Koning (Bert Deben)

Standaard

Een sprookje over onbeantwoorde liefde en een kus…

Er zat, met hele grote kaken
een kikker gans de tijd te kwaken:
“Zoen mij, zoen mij, wees niet bang !”
zo kwaakte hij zijn klaaggezang
al dagen- en al nachtenlang
zonder ophouden of staken .

En bleef men kijken naar de kikker
dan maakte hij zichzelf nog dikker
en riep naar al wie naar hem wees
“Zoen mij, zoen mij, heb geen vrees !”
maar hoe hij kwaakte ook of gilde
er was niemand die hem zoenen wilde …

Men haalde er zelfs de koning bij
de kikker pompte fier en blij
zijn kaken als pompoenen dik :
“Zoen mij, zoen mij, heb geen schrik !”

De koning luisterde een ogenblik
maar lachte schuddend toen hij zei :
“Jij lijkt mij wel de volle maan,
ik zoen jou niet, geen denken aan !”
de koning met gevolg ging heen
de kikker bleef nu gans alleen …

Hij kon geen mens of dier bekoren
hij mocht de mens zelfs niet meer storen
dus bouwde men na lange duur
rond hem, een hele dikke muur
nog hoger dan een kerktoren
maar zonder vensters, zonder deur
hieruit ontsnapte zacht gezeur :
“Zoen mij, zoen mij, heb geen angst,
ikzelf ben ’t eenzaamst nog en ’t bangst …”

In de hoop, dat men hem toch zou horen
blies hij zich op als nooit tevoren
zijn kaken als een luchtballon
en groter nog, zelfs als de zon
en toen klonk over berg en dal :

“ZOEN MIJ, ZOEN MIJ !”

en dan :

“KNAL !”

waarna de mensen heel geschrokken
met z’n allen naar de toren trokken.

Er werd gehuild, er werd gerouwd
de toren die men had gebouwd
werd steen per steen weer neergehaald
de koning, die hem had betaald
brak mee de boel af tot de grond
’t was trouwens hij ook die hem vond :
de kikker, liggend tussen ’t puin
zijn hoofdje slap, een beetje schuin.

De koning zoende hem terstond !
toen opende de kikker weer zijn mond
en riep met dikke kaken fel :

“Zeg poetste jij jouw tanden wel !?!”

Met dank aan Bert Deben!

(bron:  bertdeben.blogspot.com)