Tagarchief: Michel van der Plas

Groenendaal (Michel van der Plas)

Standaard

Zestien. — Ik liep de poort van Hageveld
uit in de rij. Seminarist. Dat ging
op zondag zo: twee uren welgeteld
de lanen door. Het heette wandeling.

Zo kwam ik voor het eerst in Groenendaal.
Het breedste pad: wat was het op het spoor?
Ze marcheerden zo’n beetje allemaal.
Maar ik keek steeds tussen de bomen door.

Midden juni geloof ik dat het was.
Iemand zwamde over de Ilias.
Maar ’t was of daar, ver weg, een feest begon.
God, dacht ik, als ik daar nu zitten kon,
fosco drinken of zo op dat terras
tussen mooie mevrouwen in de zon.

(Bron: De oevers bekennen kleur, Verzamelde Gedichten/Anthos-Lannoo)

Weet je wat verdriet is? (Michel van der Plas)

Standaard

Weet je wat verdriet is? Dikwijls, zo dicht
bij je ogen dat ik je ziel haast zie,
red ik een kleine bange vogel die
fladderend in een vijver tranen ligt;

maar als ik hem een huis geef in mijn hand
en daarin warmte van vriendschap en brood
van zachte woorden, vind ik hem al dood
eer ik in mijn eigen ziel ben beland.

Als ik iets van je denk te hebben dat
misschien eens je eerlijkste ik verried,
is het over, ben je weg, mag het niet.

En als ik alleen maar zou weten wat
die vogels doet komen, – liefste, dan had
je mij nooit te vragen: heb je verdriet?

(Bron: De oevers bekennen kleur/Ambo-Anthos)

Eerste liefde (Michel van der Plas)

Standaard

Zeventien. – ’s Avonds viel voor ’t eerst een ster
voor je venster in drie wensen uiteen:
schittertranen op een wereld van steen.
Maak me mooi. Laat me beven. Breng me ver.

En de dagen werden opeens een strand
om blootsvoets op te dans. Nergens kon
een rok wijder staan dan jouw horizon,
en de appel zon trilde in je hand.

Maar je stelde de beet wervelend uit
voor het reiken naar lucht, vluchten van grond.

Ogen had je en benen; nog geen mond.
Adem was je en dorst; nog geen besluit.

De zee en één duin maar hebben je zien
uitduizelen: vogelvrij zeventien.

(Bron: Korte metten/Elsevier-Manteau)