Tagarchief: moeder

Moeders (Ted van Lieshout)

Standaard

Moeders worden vijf keer vierendertig
als het moet, terwijl ik graai
naar elk jaar dat ik te pakken krijg.
Ik maai mij door de tijd.

Moeders willen verjaardagen overslaan
(op cadeautjes na) maar jaren kwijt.
Ik elleboog mij haar voorbij:
dag mam, dag kleine meid.

(Bron: Och, ik elleboog me er wel doorheen/Leopold)

Pa’s kamer (Steven Herrick)

Standaard

Soms, als ik thuis ben,
en het nog uren duurt
voor pa terugkomt,
en ik weet dat Keith met Sally
op het Militaire Terrein is,
ga ik naar pa’s kamer.
Ik ga op zijn bed zitten
en bekijk de foto’s
op zijn nachtkastje.
Die van Keith en mij
zittend in de vork van een boom,
lachend naar de wereld.
En die van ma en pa samen,
zijn arm losjes rond haar middel,
en de lange vingers van haar handen
samengeknepen op zijn heup.
Voor ik wegga,
loop ik naar de kleerkast,
doe de deur open
en laat mijn handen
over de tere stof
van ma’s paarse jurk
glijden.
Ik kan haar parfum bijna ruiken.
Ik sla mijn armen om haar jurk
en druk mijn gezicht ertegen.
Ik omhels ma’s jurk,
met mijn ogen dicht.
Ik fluister nog één keer
in de warme stof,
dan verlaat ik
pa’s kamer.

(Bron: Aan de rivier/Lemniscaat. Vertaling: Tjalling Bos)

Correspondentie (Alain Teister)

Standaard

Mijn zoon schreef: papa,
dat jullie gescheiden zijn vind ik niet erg,
of wel, maar ik ben er ook aan gewend,
ik ben bijna elf,
maar dat mama niet een keer gehuild heeft
nu jij in het ziekenhuis ligt, en dat ze steeds
‘eigen schuld’ zegt,
dat vind ik niet lekker, jij?

Ik telegrafeer: jawel, eigen schuld
is goud waard stop drink een cola
op mijn gezondheid stop en stuur als je zin hebt
een leuke tekening stop.

Zo ken ik je weer, schreef hij terug. Dag papa.
In de envelop zat een kleurige
viltstift-tekening van een doodskop
stop.

(Bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Windstil en onderste boven (Noëlla Elpers en Peter Holvoet-Hanssen)

Standaard

Vanuit de ruimte lijkt de aarde leeg
een toverbol van tranen en pannenkoekendeeg.

Spiegeltje, spiegeltje van het meer
woont grootmoe nu bij Grote Beer?

Ik spring in het rimpelloze vel van de plas
naast grootva met een zilverlint op zijn das.

Duik kopje-onder, een visje zwaait met haar vin
naar boven, zegt ze, zwemmen geeft weer zin.

(In memoriam een (groot)moeder – door Het Kapersnest = Noëlla Elpers en Peter Holvoet-Hanssen voor Gedichtendag 2007)

Met een hartelijk dank je wel aan Peter!

Geen kind meer (Jan Boerstoel)

Standaard

Je leeft je eigen leven,
wat zij er ook van vindt,
je bent allang geen kind meer.
Je wilt erover praten,
maar niet op die manier,
je zult haar best verdriet doen,
maar niet voor je plezier.
Wat moet je nog met haar en
met haar ouderlijk gezag?
En dan opeens, dan is-ie er, die dag…

De dag waarop je moeder sterft,
de dag die je dagen
van dan af aan wat grijzer verft,
al hou je niks te klagen:
je hebt je goede vrienden nog,
die staan je ook dichtbij
en als je soms een minnaar zoekt,
dan staan ze in de rij.

Maar niemand zal meer weten
hoe je met je pop kon spelen
en niemand zal nog ooit
je vroegste vroeger met je delen.
De dag waarna je nooit meer
kwetsbaar wezen mag en klein,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

Wat al die jaren fout ging
komt dan niet meer terecht
en wat je nog wou zeggen
blijft eeuwig ongezegd:
de machteloze frasen
van je genegenheid
en dat het niet haar schuld was
en ook dat het je spijt.
De dingen die je lang niet zeggen kon
en zeggen wou
en dan zo graag nog één keer zeggen zou…

De dag waarop je moeder sterft,
dat jij wordt losgelaten
en al haar eigenschappen erft,
die jij zo in haar haatte:
de scherpe tong, de bokkenpruik,
deze zure schooljuffrouw,
die zullen ze dan binnenkort
herkennen gaan in jou.

En hoop´lijk ook de and´re kant:
de aardige, de zachte,
maar of je die hebt meegeërfd
valt nog maar af te wachten.
De dag waarna de rest
een kwestie wordt van tijd en pijn,
de dag waarna je nooit meer kind zult zijn.

’s Avonds (Jac. van Hattum)

Standaard

Weet je: als je eens ’s avonds laat
voor een open venster staat
en je ziet de sterrenpracht
aan de hoge zomernacht

-’t lijken wel onnoemlijk veel
gouden kruisjes op fluweel-
denk je: ‘O, wat ben ik klein
en hoe groot moet dàt wel zijn…’

Heel van ver komt het gedruis
van de stad nog aan het huis
en je hoort dat vader praat
met een buurman in de straat.

Meer dan ooit houd je van hem
om die warme mannenstem.
Hoor, nu slaat de voordeur dicht
en je hoort de knip van ’t licht.

Hoor, hoe hij naar binnen gaat
en nu zacht met moeder praat;
‘k weet zelf nog, hoe ‘k wakker lag:
’t was zo anders dan bij dag.

En je zag nog heel, heel lang
vreemde sprookjes op ’t behang,
tot je eindelijk, eindelijk sliep
tot mama je wakker riep.

(bron: Verzameld werk/Amsterdam)

De regenworm en zijn moeder (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek,
en fluisterde: Hoe schoon, hoe schoon…
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon,
kijk naar beneden, naar de grond,
dat is normaal, dat is gezond,
kijk naar beneden, zoals ik…
En toen? Toen kwam de leeuwerik!

Het wormpje, dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in d’aarde,
maar moe die naar beneden keek
werd opgegeten (daar in Sneek).

Dus doe nooit wat je moeder zegt,
dan komt het allemaal terecht.

(Bron: Ziezo/Querido)