Tagarchief: Peter Jaspers

De sluier van mist (Peter Jaspers)

Standaard

Heb je ooit de stad gezien
in de mist, in de mist?
Heb je ooit een huizengevel
weg zien schuilen in de nevel?
Stond je nooit verbaasd te staren
naar een zilverbleke maan?
Was het niet de straatlantaren,
één minuut van je vandaan?

Heb je ooit een straat gezien
in de mist, in de mist?
Heb je ooit dat ene straatje
goed bekeken, als een plaatje?
Keek je nooit (je moest je schamen)
naar die sluier, teer als kant
en de glinsters bij de ramen
als een snoer van diamant?

Heb je ooit het land gezien,
in de mist, in de mist?
Heb je koeien in de weiden
in de wolken weg zien glijden?
Kéék je wel, toen paardebenen,
zomaar, voordat je het wist,
helemaal vanzelf verdwenen
in de slierten van de mist?

Ga je echt een keertje weg
in de mist, in de mist?
Ga de wereld es beleven
in een witte wolk geweven,
in een heel fijn kanten kleedje.
Je geniet ervan. Beslist,
Het is net een sprookje, weet je
in de sluier van de mist.

(Bron: De gouden bel/Baarn)

Advertenties

De gouden bel (Peter Jaspers)

Standaard

Het gebeurde op een middag
ongeveer om kwart voor één
Manja was aan ’t bellen blazen
in de kamer. Heel alleen…

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine groentjes, hele stellen,
zweefden statig naar omlaag
en verdwenen op haar handje,
op een kussen, op een plantje,
op het kantje van haar kraag.

Toen gebeurde daar dat wonder,
dat een bel, meer goud dan geel,
rustig op het kleed bleef liggen,
groot en glanzend, rond en heel.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine witjes, niet te tellen,
zweefden in een grote kring,
zweefden langzaam met z’n allen
en vergaten om te vallen,
zomaar, van verwondering.

Kleine Manja zat te kijken
naar dat sprookje om haar heen,
naar de weerschijn van de kleuren
en de gouden bel alleen.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine groentjes, hele stellen,
zagen toen haar handje gaan
om de gouden bel te strelen,
die er uit zag om te stelen,
zachtjes raakte ze hem aan.

Met een teer, onhoorbaar spatje
was de bel er toen niet meer.
En de and’ren, met z’n allen
daalden op de dingen neer.

Blauwe, gele, roze bellen,
kleine witjes, niet te tellen,
zweefden statig naar omlaag,
maar die ene grote gouden
zal ze altijd goed onthouden…
’t Was om kwart voor één. Vandaag.

(Bron: De gouden bel. Kindergedichten/Baarn)

Ik wou zo graag (Peter Jaspers)

Standaard

Ik wou zo graag een toverpen
voor Nederlandse taal.
De woorden, die ik echt niet ken,
verbeterde de toverpen,
onzichtbaar, allemaal.

Ik wou zo graag een rubber vel
het zwembad is zo lang,
dan dreef ik eindelijk es wèl,
gewoon maar op m’n rubbervel
en was ik niet meer bang.

Ik wou zo graag een wonderpil.
Dan kon ik voor de klas
de beurten maken die ik wil,
omdat ik door de wonderpil
niet meer verlegen was.

Ik wou graag met een feeënstaf
naar aardrijkskunde gaan,
dan wist ik er genoeg van af,
dan wees ik met de feeënstaf
de goeie stippen aan.

Ik wou zo graag, ik wou zo graag,
gebeurde het nou maar,
het hoeft niet eens meteen vandaag,
maar morgen dan, ik wou zo graag.
Waar woont de tovenaar?

(bron: Met rozerood en zonnehoed/Baarn)