Tagarchief: poezie

Mooi weerbericht (Jan de Bas)

Standaard

Raar idee dat je niet weet
wat je gaat schrijven tot je schrijft:
‘Raar idee etc.’, dat je niet weet
wat je gaat denken.

Dat elke gedachte een soort weer is:
het kan vriezen, het kan dooien,
waaien, stormen, nog veel meer etc…
En ondertussen denk je door,

staat het vel al aardig vol.
Buiten schijnt de zon. Ik denk
dat ik mooi weer ga spelen.
Poëzie is je eigen weerbericht schrijven.

(Bron:Ongepubliceerd. Verschenen in: De vier jaargetijden/Rainbow Essentials)

Nog zeven nachtjes slapen ongeveer (Hetty Heyting)

Standaard

Vanmorgen was de dokter hier voor mij
Die praatte heel erg lang
Met pappie op de gang
En toen heb ik gehoord wat hij daar zei
Maar ik ben zeven en ik ben niet bang

Vanmorgen heeft de dokter daar gezegd
Nog zeven nachtjes slapen ongeveer
Dan mag ze fijn naar onze Lieve Heer
Ik dacht: O God, bestaat-ie dan wel echt?
Maar pappie zegt van wel, dus is het waar
Hij zei: Je bent heel ziek
En toen huilde hij zomaar
Ik wilde niet verklappen dat ik de verrassing wist
Maar ja, dat huilen vond ik wel een beetje raar

Ik heb een teddybeer bij mij in bed
Als ik dan dood ga mag-tie lekker met me mee
Dus wachten wij gezellig met z’n twee
Ik heb een mooie tekening voor God
Die neem ik mee, als mama dat es wist
Dan mag ik vast zo’n mooie witte jurk aan in de kist
Want ik ga nooit meer trouwen
Want ik word nooit meer groot
Dan heb ik toch een beetje feest al ga ik dood

’t Is net alsof ik met vakantie ga
Naar m’n oma, die ging dood verleden jaar
Trouwens pappie doet de laatste tijd zo raar
Die komt me dan misschien wel achterna
Zeg mam, ik zal niet huilen als ik je mis
Want als je zeven bent moet je zelf kunnen doodgaan
Maar doe je in de kist een heel klein schemerlampje aan
Want ik ben bang als het zo donker is

(bron: Roltrap naar de maan/Novella)

Verliefd (André Sollie)

Standaard

‘k Had gedacht dat ik… hoe heet dat?
Dat het me wat meer zou doen.
Dat ik nachten niet zou slapen
na die allereerste zoen.

En mijn hoofd niet naar studeren,
niet meer eten ook, afijn:
louter leven van de liefde,
rozegeur en maneschijn.

Maar ik voel echt niks bijzonders,
beide voeten op de grond.
’t Zal vast reuze abnormaal zijn,
‘k ben misschien niet eens gezond!

’t Zou natuurlijk ook nog kunnen
– daarop houden we ’t dan maar –
dat dat meisje wel op mij viel
en ik (sorry) niet op haar.

(bron: Soms, dan heb ik flink de pest in/Houtekiet)

Bloot in de boot (Fetze Pijlman)

Standaard

We hadden een boot in de gang
En daar vaarden we mee
Want de gang was de zee
Maar het duurde niet lang
Of we hadden geen schoenen meer aan
Want de zon die scheen
Toen heeft iedereen
Ook z’n kleren maar uitgedaan
En zo vaarden we rond
Met een blote kont
Alleen Desirée
Die deed niet mee
Die had nog een luier aan

(bron: VOF De Kunst, Album Liedjes uit Sesamstraat)

Siberië (Bart Moeyaert)

Standaard

Geef me je jas
van bont van teddyberen.
Leg je arm om me heen
en al je winterkleren.
Zoen me
tot ik warm word.
Zoen me
tot ik spin.
Trek je eigen huid dan uit,
stop mij eronder in.
Sus me met je hartslag:
wij ons wij ons wij ons.
Maak van dit veel te grote bed
een heel klein fort van dons.

(bron: Verzamel de Liefde/Querido)

Sterk (Bart Moeyaert)

Standaard

Ik dacht dat het niet kon:
dat iets wat je niet ziet
je alle dagen draagt
en sterker maakt.
Alsof je spieren krijgt
van liefde.

En kijk, het klopt:
Het hart van oma
slaat nog altijd over
als ze opa ziet.
Maar nu hij oud is en te bed,
misschien nog net de hemel haalt,
loopt oma sinds een poosje
krommer en vraagt ze vaker
om mijn arm.
Zonder hem krijgt
ze het huis niet warm
en zelfs de hond
zakt zuchtend naast de luie stoel.
Dus is het waar
dat liefde spieren geeft
en op den duur
ook vuur.

(bron: Verzamel de Liefde/Querido)

Is het geen schatje? (Rob Chrispijn)

Standaard

Is het geen schatje?
Is het geen dotje?
Is het geen wolk van een kind?
Het is mijn zusje van negen weken,
dat iedereen zo aanbiddelijk vindt.

Is ze niet lelijk?
Zet ze geen keel op?
Stinkt ze geen uren in de wind?
Heeft het bezoek dan geen neus en geen oren?
Is iedereen gek of hartstikke blind?

En waarom moest ze
zo nodig komen
zonder haar ging alles toch goed?
’t Geeft alleen maar gedoe en gedonder,
want altijd weer moet ze worden gevoed.

Zij moet nog groeien,
jij moet nog wennen.
Je zusje is hier nog maar zo kort.
Mijn moeder zegt: Ik bak wel wat flensjes.
Ze denkt dat ik daar weer vrolijk van word.

Hallo (André Sollie)

Standaard

Ja, hallo, hallo? Ben jij het?
0, wat goed dat ik je tref.
Ik bel zomaar, niks biezonders;
Wat? 0 ja, ik ben het: Stef.

Weet je, soms gaan veertien dagen
snel voorbij, dan vliegt de tijd.
Maar als ik eraan ga denken,
duurt het wel een eeuwigheid.

Als je me straks op komt halen,
gaan we dan weer fijn op stap?
Naar het park, de eenden voeren?
Goed, 0.K.! Tot zo, dag pap!

De spin Sebastiaan (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Dit is de spin Sebastiaan
Het is niet goed met hem gegaan

Luister!

Hij zei tot alle and’re spinnen:
Vreemd ik weet niet wat ik heb,
maar ik krijg zo’n drang van binnen
tot het weven van een web.

Zeiden alle and’re spinnen:
O, Sebastiaan, nee Sebastiaan
kom, Sebastiaan, laat dat nou,
wou je aan een web beginnen
in die vreselijke kou??

Zei Sebastiaan tot de spinnen:
’t web hoeft niet zo groot te zijn,
’t hoeft niet buiten, ’t kan ook binnen
ergens achter een gordijn

Zeiden alle and’re spinnen:
O, Sebastiaan, nee Sebastiaan,
toe, Sebastiaan, toom je in!
Het is zò gevaarlijk binnen,
zò gevaarlijk voor een spin.

Zei Sebastiaan eigenzinnig:
Nee, de drang is mij te groot.
Zeiden alle and’ren innig:
Sebastiaan, dit wordt je dood!

O, o, o, Sebastiaan…
Het is niet goed met hem gegaan…

Door het raam klom hij naar binnen.
Eigenzinnig! En niet bang!
Zeiden alle and’re spinnen:
Kijk, daar gaat hij met zijn drang!

Na een poosje werd toen even
dit berichtje doorgegeven:

Binnen werd een moord gepleegd.
Sebastiaan is opgeveegd.

Opa (Willem Wilmink)

Standaard

Opa keek vaak in onze tuin
naar die zeven sprietjes gras,
en daar zag opa dan een koe
die er helemaal niet was.

En later, in het ziekenhuis,
kon hij verwonderd vragen
waarom ze toch die buitenmuur
uit zijn kamer hadden geslagen.

Voor opa was het doodgaan
dus niet zoiets als de nacht:
het was de steeds grotere ruimte
die hij voor zichzelf had bedacht