Tagarchief: regen

Reisopdracht (Riekus Waskowsky)

Standaard


en als je weggaat…

regen, er dreigt regen,
storm blaast zand
over de wegen,
men moet z’n ogen beschermen.
angstige vogels zwermen
boven het land.
de lucht is zwart.

…zeg langzaam:
Ik hou van regen.
Ik hou van storm.
Ik ben niet bang.

(Bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Het mannetje Regenpiet (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Dat mannetje dat je hier zo ziet,
dat is het mannetje Regenpiet.
Wat zeg je nu? Je kent hem niet? O ja, je kent hem stellig!
wanneer de wind een beetje draait
en weer eens uit het westen waait,
dan gaat dat mannetje huilen, want hij vindt het ongezellig.

Zijn tranen rollen naar omlaag,
dan komt er weer een regenvlaag,
wat regent het weer hard vandaag, we gaan een beetje schuilen.
Hier valt een drop en daar een drop,
zet nu je paraplu maar op,
het kleine mannetje Regenpiet is weer eens aan het huilen.

Maar draait de wind van west naar oost,
dan is het mannetje weer getroost,
dan kijkt hij ook niet meer zo boos, dan lacht hij je weer tegen.
Dan zitten wij weer in de zon
en drinken thee op het balkon,
en zeggen: Hè, gelukkig is het uit met al die regen.

Soms roep ik wel eens: Huil nou niet,
wees niet zo treurig, Regenpiet,
waarom heb jij toch zo’n verdriet, je moet je tranen stelpen!
Dan roept hij knorrig naar benee:
Sofie, bemoei je d’r niet mee,
ik huil nog wel een uur of twee, ik kan het heus niet helpen.

(Bron: Ziezo/Querido)

Paraplu (Rob Chrispijn)

Standaard

Ik heb een zwarte paraplu
die een hekel heeft aan regen.
Bij de eerste druppels: sodeju
stribbelt hij al tegen.

Ik trek, ik duw, ik geef een ruk
dat ding wil maar niet open.
Ik heb vandaag niet veel geluk,
ik moet door de regen lopen.

Ik heb een zwarte paraplu
die bij een bui begint te dreinen,
maar vrolijk opengaat als nu
de zon opeens zou schijnen.

Hij wil geen paraplu meer zijn
want dat is niemand voor zijn lol.
Mijn plu is gek op zonneschijn,
hij is in zijn hart een parasol.

(bron: Sesamstraat 1993)

Kindergedachten (C.S. Adama van Scheltema)

Standaard

Het regent, – o wat regent het!
Ik hoor het uit mijn warme bed.
Ik hoor de regen zingen,-
Het regent, het regent dat het giet –
Dat niemand daar nou iets van ziet
Van al die donk’re dingen!

Het ruist en regent en het spat-
Nou worden alle bomen nat
En plast het in de sloten,-
Het regent óver -óveral-!
O hé – daar loopt het zeker al
Bij straaltjes uit de goten!

Was is dat gek en leuk geluid!
Wat is het lekker om dat uit
Je donker bed te horen: –
’t Is of de regen samen praat,
Of dat een kerel buiten staat
Te fluist’ren aan je oren.

Nou druipt het in dat open gras –
Nou zal er wel een grote plas
Op alle wegen komen,-
Nou lopen nergens mensen meer –
Verbeeld je eens, in zo een weer -!
Daar wou ik wel van dromen.

En vroeg, morge’in de zonneschijn,
Als dan de blaadjes zilver zijn,
Met droppeltjes bepereld –
Dan doe ik toch mijn eigen zin:
Dan loop ik héél – en héél ver in
Die schoongeworden wereld!

(bron: Het is een blijde dag/Omniboek)