Tagarchief: Shel Silverstein

The Giving Tree (Shel Silverstein)

Standaard

991

Once there was a tree….
and she loved a little boy.
And everyday the boy would come
and he would gather her leaves
and make them into crowns
and play king of the forest.
He would climb up her trunk
and swing from her branches
and eat apples.
And they would play hide-and-go-seek.
And when he was tired,
he would sleep in her shade.
And the boy loved the tree….
very much.
And the tree was happy.
But time went by.
And the boy grew older.
And the tree was often alone.
Then one day the boy came to the tree
and the tree said, “Come, Boy, come and
climb up my trunk and swing from my
branches and eat apples and play in my
shade and be happy.”
“I am too big to climb and play” said
the boy.
“I want to buy things and have fun.
I want some money?”
“I’m sorry,” said the tree, “but I
have no money.
I have only leaves and apples.
Take my apples, Boy, and sell them in
the city. Then you will have money and
you will be happy.”
And so the boy climbed up the
tree and gathered her apples
and carried them away.
And the tree was happy.
But the boy stayed away for a long time….
and the tree was sad.
And then one day the boy came back
and the tree shook with joy
and she said, “Come, Boy, climb up my trunk
and swing from my branches and be happy.”
“I am too busy to climb trees,” said the boy.
“I want a house to keep me warm,” he said.
“I want a wife and I want children,
and so I need a house.
Can you give me a house ?”
” I have no house,” said the tree.
“The forest is my house,
but you may cut off
my branches and build a
house. Then you will be happy.”

And so the boy cut off her branches
and carried them away
to build his house.
And the tree was happy.
But the boy stayed away for a long time.
And when he came back,
the tree was so happy
she could hardly speak.
“Come, Boy,” she whispered,
“come and play.”
“I am too old and sad to play,”
said the boy.
“I want a boat that will
take me far away from here.
Can you give me a boat?”
“Cut down my trunk
and make a boat,” said the tree.
“Then you can sail away…
and be happy.”
And so the boy cut down her trunk
and made a boat and sailed away.
And the tree was happy
… but not really.

And after a long time
the boy came back again.
“I am sorry, Boy,”
said the tree,” but I have nothing
left to give you –
My apples are gone.”
“My teeth are too weak
for apples,” said the boy.
“My branches are gone,”
said the tree. ” You
cannot swing on them – ”
“I am too old to swing
on branches,” said the boy.
“My trunk is gone, ” said the tree.
“You cannot climb – ”
“I am too tired to climb” said the boy.
“I am sorry,” sighed the tree.
“I wish that I could give you something….
but I have nothing left.
I am just an old stump.
I am sorry….”
“I don’t need very much now,” said the boy.
“just a quiet place to sit and rest.
I am very tired.”
“Well,” said the tree, straightening
herself up as much as she could,
“well, an old stump is good for sitting and resting
Come, Boy, sit down. Sit down and rest.”
And the boy did.
And the tree was happy.

(Bron: The Giving Tree/Harper & Row)

Advertenties

Ickle me, Pickle me, Tickle me too (Shel Silverstein)

Standaard

Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too
Went for a ride in a flying shoe.
“Hooray!”
“What fun!”
“It’s time we flew!”
Said Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle was captain, and Pickle was crew
And Tickle served coffee and mulligan stew
As higher
And higher
And higher they flew,
Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too,
Over the sun and up into the blue.
“Hold on!”
“Stay in!”
“I hope we do!”
Cried Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

Ickle Me, Pickle Me, Tickle me too
Never returned to the world they knew,
And nobody
Knows what’s
Happened to
Dear Ickle Me, Pickle Me, Tickle Me too.

(Bron: Where the sidewalk ends/Harper and Row. You Tube: ShelSilversteinBooks’s channel)

Deze brug (Shel Silverstein)

Standaard

Je komt met deze brug maar halverwege,
naar markten, koepels waar het licht uitstraalt,
naar meisjes die als herten zich bewegen
en naar het bos waarin de eenhoorn dwaalt.
De wonderen van de wereld kwam ik tegen,
op mijn gedichten breng ik je erheen,
totdat ik dan terugkeer, halverwege,
de laatste stappen zet je maar alleen.

De kameel heeft een beha (Shel Silverstein)

Standaard

De kameel heeft een beha,
dat leek ons alleszins redelijk
de kameel heeft een beha,
want haar bulten waren onzedelijk.
Wij zijn van de Goede Zeden Bond
met het woord ‘aanstoot’ voor in de mond.
Straks breien wij ook nog een brok voor uw hond,
de kameel heeft al een beha.

De kameel heeft een beha,
dat leek ons volstrekt onvermijdelijk,
de kameel heeft een beha,
zelf denkt ze nog: dit is voor tijdelijk.
Ontzettend nauwlettend zien wij toe
op naaktheid, onkuisheid en vies gedoe.
Ons volgende slachtoffer is de koe,
de kameel heeft al een beha.

(Bron: Licht op zolder, vert. Willem Wilmink/Fontein)

Jeuk op dat plekje (Shel Silverstein)

Standaard

Het leven is lang niet altijd leuk:
nieuwsberichten en bange dromen
en dan ook nog een keertje jeuk
op een plekje waar je niet bij kunt komen.
Je draait en zwaait en wringt en wiebelt,
je ellebogen kraken ervan,
maar nog altijd jeukt en kriebelt
dat plekje waar je niet bijkomen kan.
Je draait je in kreuken en bochten en vouwen,
het lijkt of er van binnen iets knapt.
Vandaar dat zoveel mensen trouwen:
dan is er tenminste iemand die krabt.

(bron: Licht op zolder, vert. Willem Wilmink/Fontein)

Ziek (Shel Silverstein)

Standaard

‘Ik kan vandaag niet naar school,’
zei kleine Annetje van Pool.
‘Ik heb de mazelen en de bof
paarse bulten en mijn hoofd zit vol stof
mijn mond is te nat en mijn keel is te droog
en ik word blind aan mijn rechteroog
mijn ene amandel is zo groot als een kei
als het gaat regenen steekt mijn zij
ik heb al zestien waterpokken gezien
en daar nog eentje, dat is zeventien
ik trek met mijn been en mijn ogen zijn blauw
ik lijd aan acute kou
ik hoest en ik nies en ik schraap en ik kuch
ik heb geloof ik een breuk in mijn rug
mijn heup doet zo’n pijn als ik knijp in mijn kuit
mijn navel zakt steeds dieper weg in mijn buik
mijn blindedarm ziet geen steek
mijn nek is stijf mijn ruggegraat is week
mijn neus is koud mijn tenen staan schuin
ik heb een splinter in mijn duim
ik heb de rode en de groene hond
mijn haar valt bij bosjes uit op de grond
mijn elleboog is krom en de koorts is gestegen
ik heb nu al achtenveertig negen
mijn hersenen krimpen ik ben doof aan een oor
en mijn rechterarm die trilt aldoor
ik heb een kwangnagel en mijn hart is…wat?
Wat is dat? Wat is het voor een dag?
Zaterdag…is het vandaag zaterdag?
Dan ga ik lekker buiten spelen. Dag!’

(bron: Het randje van de wereld/Fontein, Vertaling: Thera Coppens)