Tagarchief: tellen

Het grote bed (Rudy Kousbroek)

Standaard

Op zolder stond een heel groot bed,
Daar sliep een kind in, opgelet:

Er kwam een zeehond uit de zee
En gleed in bed als nummer twee.

Het nijlpaard kroop erbij, en zie:
Het bed was groot genoeg voor drie.

Toen kwam er nog een ander dier,
Ik denk een hond, dus dat was vier.

Er kwam een koe bij met haar lijf,
Pas op! Nu zijn het er al vijf.

Daarna het paard, bruin met een bles,
Kroop in dat bed als nummer zes!

De geit zei: mag ik ook nog even?
Dat zijn er welgeteld al zeven.

Het schaapje met zijn dikke vacht
Kwam er nog bij, dat maakte acht.

Een varkentje, wat zou het wegen?
In elk geval, toen was het negen.

Daar kwam een mier, haast niet te zien,
Maar toch, die mier was nummer tien.

Ze lagen net op hun gemak
Maar ’t bed begaf het en zei: krak!

Toen riepen ze, in toorn ontstoken:
Die mier! Die heeft ons bed gebroken!

(Bron: Dierentalen en andere gedichten/Augustus)

Advertenties

Rekenen op rijm (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Zeven zoete zuurtjes zaten in een fles
maar ééntje rolde in de goot. Nu zijn er nog maar…
Zes zoete zuurtjes. Daar kwam een heel oud wijf,
die heeft er eentje weggepikt. Toen waren er nog …
Vijf zoete zuurtjes. Toen kwam mijn nicht Marie,
die heeft er twee gekregen. Toen waren er nog …

Drie zoete zuurtjes. Toen kwam de kruidenier,
die bracht voor mij een zuurtje mee. Toen waren er weer …
Vier zoete zuurtjes, en toen kwam tante Mien,
die deed zes zuurtjes in de fles. Toen waren het er …

Tien zoete zuurtjes. Ik at ze op alleen.
Nu is het hele flesje leeg. Nou heb ik er geeneen.