Tagarchief: Willem Wilmink

Voor de verre prinses (Willem Wilmink)

Standaard

En voordat ik ging slapen was er op de radio
een stemmige muziek
een beetje weemoed voor de vaak
een beetje heimwee in de maak
een beetje treurigheid en zo.

Toen is Mevrouw Herinnering met mij op stap gegaan
helemaal naar jou
en ik dacht wat was het fijn
en ik dacht waar zou ze zijn
een heelal of twee hiervandaan.

Een speelse jonge hond was jij, een mooie gekke meid
we waren nog zo jong,
we dachten er niet aan
met elkaar naar bed te gaan
en dat spijt me nog altijd.

Opeens toen was het uit en ben ik bijna doodgegaan
dat vat je zeker wel?
Nu ik die late platen hoor
komt het verleden zuiver door
en ben ik met mijn lot begaan.

Ach wat was dat een voorjaar wat heb ik van je gehouwen
het lijkt weer zo dichtbij
en daar doen we het maar mee
want nu volgt het ANP
en het Wilhelmus van Nassouwe.

(Bron: Goejanverwellesluis/De Arbeiderspers. Opgenomen in: Ooitgedicht/Stichting Collectieve Propoganda van het Nederlandse Boek.

Advertenties

Een wijze les (Willem Wilmink)

Standaard

Luim en ernst ineengeweven
Zijn een lust in ieders leven.’

Koosje wou een vogel vangen.
‘Dat is makkelijk gedaan,’
Sprak de vader van ons Koosje,
Keek het ventje olijk aan,

‘Leg wat zout hem op het staartje,
En het beestje is voor jou.’
Dus ging Koosje fluks naar buiten,
Met het zoutvat in de kou.

Na twee uren kwam de vader,
Kijken hoe ons Koosje voer,
‘Heb je nog geen vogel, Koosje,
Is het zulk een heksentoer?’

Koosje sprak: ‘Men moet het beestje,
Eer er zout op is geleid,
Toch alreeds gevangen hebben,
En ziedaar de moeilijkheid!’

Zo viel Koosje dan geen vogel,
Doch een wijze les ten deel,
‘Dus je ziet,’ sprak vader lachend,
”t Leven is een Schouwtoneel.’

(Bron: GOEJANVERWELLESLUIS korenschoven, liedjes en gedichten/Arbeiderspers)

Dood zijn duurt zo lang (Willem Wilmink)

Standaard

Het is niet fijn om dood te zijn.
Soms maakt me dat een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
maar dood zijn duurt zo lang.

Als je dood bent, droom je dan?
En waar droom je dan wel van?

Droom je dat je in je straat
langzaam op een trommel slaat?
Dat iemand je geroepen heeft?
Droom je dat je leeft?

Maar ach, wat maak ik me toch naar,
het duurt bij mij nog honderd jaar
voor ik een keertje dood zal gaan.

Ik laat vannacht een lampje aan.

(Bron: Ik snap het/Bert Bakker)

Wrijving (Willem Wilmink)

Standaard

Met kerst en paas en oudejaar
komt de familie bij elkaar
in een woonvertrek.
Over de nieuwste vrouwenkwaal
van tante Truus of tante Aal
gaat het gesprek.

‘De vluchtelingen,’ zegt oom Loet,
‘moeten hier weg, want al te goed
is buurmans gek.’
Dan antwoordt vader, nogal scherp:
‘Loet, nou een ander onderwerp,
of ik vertrek.’

Je snapt dat dit tot wrijving leidt,
zodat men met serviesgoed smijt
en met bestek.
Maar iemand moet de minste zijn,
dus vader zegt: ‘Loet, lul maar fijn
weer uit je nek.’

(Bron: Ik had als kin een huis en haard/Bert Bakker)

Verveling (Willem Wilmink)

Standaard

Grote vakantie! Maandenlang!
Nog één keer door die hoge gang,
dan was je vrij.
Maar na een week had je geen zin
en leek de blijdschap van ’t begin
voorgoed voorbij.

Verveling, heel de middag lang,
je zwierf van straat naar huizengang,
waar kon je heen?
In bikkelharde zonneschijn
schenen de huizen leeg te zijn,
het gras van steen.

Je hele stad had zwaar het land,
alsof het oud vertrouwd verband
verbroken was.
Je slenterde, zo loom en sloom,
langs ’t schoolplein, de kastanjeboom,
de lege klas.

(Bron: Ik had als kind een huis en haard/Bert Bakker)

Mijn appelboom (Willem Wilmink)

Standaard

Als ik aan iets moet denken
of zo maar droom,
vertel ik het meteen
aan mijn appelboom.
Eerst een dikke boterham,
dan de armen om de stam,
of mijn ene hand al bij de andere kan.

De appelboom heeft dit jaar
zo mooi gebloeid.
Maar ik ben dus nog niet niet
genoeg gegroeid.
Eerst een dikke boterham,
dan de armen om de stam,
of mijn ene hand al bij de andere kwam.

(Bron: Ik snap het, liedjes voor jonge kinderen/Bert Bakker)

De lepel (Willem Wilmink)

Standaard

Met een lepel kun je roeren
en je kleine broertje voeren.
Kunt er op het strand mee spelen;
maak je mooie zandkastelen,
met een gang en met een poort,
allemaal zoals het hoort.

Kunt jezelf ermee bekijken,
maar ik vind het niet erg lijken:
moet ik dit nu echt geloven,
zit ik zó ondersteboven?
Ach, van ver en van dichtbij
lijkt mijn hoofd nu op een ei.

Ik wil niet zo blijven hangen,
met mijn mond boven mijn wangen.
Weg dus met die holle lepel:
zo is het een bolle lepel
en daarin zit ik weer goed,
met een lachje op mijn snoet.

Met een lepel kun je roeren
en je kleine broertje voeren.
Kunt er op het strand mee spelen,
maak je mooie zandkastelen.
Als je ook maar niet vergeet
dat je met een lepel eet!

(Bron: Ik snap het/Bert Bakker)

Mijn broertje (Willem Wilmink)

Standaard

Ik heb een klein broertje met wit haar
en een grote snottebel
ik heb een klein broertje van twee jaar,
en ’t is een leuk ventje, dat wel.

Als-ie stout is krijgt-ie weinig straf,
want hij is ook nog zo klein.
Met mij loopt het dan wel ànders af:
ik moet verstandig zijn.

Hij begrijpt er nog zo weinig van
wanneer ik hem vertel
dat-ie niet met mijn speelgoed spelen kan,
maar ’t is een leuk ventje, dat wel.

Hij maakt wel ‘es dingen van me stuk,
en dat is niet zo fijn.
Maar het is ook nog zo’n kleine puk,
en ik moet verstandig zijn.

Hij zit aan mijn meccanodoos
en aan mijn voetbalspel,
en soms is het wel erg hopeloos,
maar ’t is een leuk ventje, dat wel.
Dat wel.

(Bron: Ik snap het/Bert Bakker)

De zakdoekmuis (Willem Wilmink)

Standaard

in een speelgoedwinkel

Als mijn opa een paar knopen
in zijn zakdoek had gelegd,
was ’t een muisje dat kon lopen,
echt een muisje met twee oren.
’t Hupte op opa’s arm naar voren…
streng wees opa hem terecht
om hem dan weer op te stoken…
ach, meneer, dat was pas echt.

‘k Zou zo’n zakdoek willen kopen,
‘k heb er zo lang naar gezocht,
want een zakdoek die kan lopen
zou mijn kinderen meer bekoren
dan een robot op twee Noren
of een racebaan met een bocht…
als u er tenminste ook een
echte opa bij verkocht.

‘Het spijt me, meneer, daar kan ik
u niet aan helpen. Dag, meneer…’

(Bron: Ik snap het: liedjes voor jonge kinderen/Bert Bakker)

Slaapliedje voor de lappenpop Tjapa (Modest Moessorgsky)

Standaard

Tjapa, welterusten.
Tjapa, jij moet slapen.
Tjapa, doe je ogen dicht.
Tjapa. Sst… slapen!

Tjapa. Jij moet slapen,
straks komt Bullebak,
stopt jou in een zak,
om je op te vreten.

Tjapa, jij moet slapen.
Ga me maar vertellen
van dat mooie droomland:
het tovereiland
met zijn grote boomgaard,
en daar groeien peren,
o, wat zijn ze sappig,
en de gouden vogel
zingt er toch zo grappig.

Da-ag, welterusten,
da-ag, dag, Tjapa.

(Dit gedicht maakt deel uit van de liederencyclus ‘De kinderkamer’ en werd vertaald door Willem Wilmink)

Het kleine gedachtenhotel (Willem Wilmink)

Standaard

Naar Charles d’Orléans
(1391-1465)
L’hôtellerie de Pensée

Het kleine gedachtenhotel
vol van wie komen en gaan,
weet zich met elk te verstaan
in zijn beslommerd bestel.

Ja, gastvrij is het wel,
ieder wordt opengedaan,
het kleine gedachtenhotel
vol van wie komen en gaan.

Vrolijkheid is er in tel,
doet het herhaaldelijk aan,
soms ook ontvangt het de Waan
of de heren Kommer en Kwel,
het kleine gedachtenhotel.

(Bron: Dicht langs de huizen/Kosmos)

Zomeravond (Willem Wilmink)

Standaard

(Naar het Portugees)
Kindje, slaap maar, kindje,
’t was ook zo warm deze dag.
In de schemer
zit nu een kleine egel
met zijn mooie stekels
eenzaam in het gras.

Het gras wacht op regen.
Geen takje beweegt er.
Luister naar de merel,
hoog op ons dak.

Avond vol verlangen.
De maan maakt zich klaar voor de nacht.
In de avondschemer
komt strakjes onze egel
nog een egel tegen,
liefkoost haar vacht.

Van ver wordt de merel
antwoord gegeven.
Morgen komt de regen
waar het gras op wacht.

Kindje, slaap maar, kindje,
in de avondschemer.
Hebt al slaap gekregen.
Slaap maar mijn schat.

(bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

Als de lichtjes doven (Willem Wilmink)

Standaard

Op een slagveld klonk een stem,
was van ver te horen,
zong dat er in Bethlehem
een kindje was geboren.
In die nacht zo stil en groot
zwegen de kanonnen,
die zijn bij het morgenrood
toch opnieuw begonnen.

Kerstmis lijkt ons keer op keer
vrede te beloven,
maar kanonnen dreunen weer,
als de lichtjes doven.

Donkere Zuidafrikaan,
honger moet je lijden,
mag niet naar je vader gaan,
bent van hem gescheiden.
Wie dit hebben uitgedacht,
komen allen samen,
zingen plechtig Stille Nacht,
zonder zich te schamen.

Kerstmis lijkt ons keer op keer
vriendschap te beloven,
maar dan gaan ze altijd weer
alle lichtjes doven.

Turk en Griek en Marokkaan,
mogen die hier blijven?
Mogen die hier ook bestaan
of zal men ze verdrijven?

Kerstmis doet ons telkens weer
beterschap beloven,
laat dan deze ene keer
het lichtje niet weer doven.

Lezen is heerlijk (Willem Wilmink)

Standaard

Het kan heerlijk wezen
om een boek te lezen:
boom – roos – vis – vuur
en een boek is heus niet duur.

Hier op bladzij tachtig
is mijn boek zo prachtig,
want daar gaat een wit konijn
naar zijn oma met de trein.

En op bladzij honderd:
pispot omgedonderd!
Ha, wat moet ik lachen, man.
Krijg er bijna buikpijn van.

Maar bij bladzij zeven
huil ik altijd even,
want daar gaat een kikker dood
ergens in een boerensloot.

(bron: Ik snap het/Bert Bakker)