Tagarchief: winter

Drie musjes (Harriët Laurey)

Standaard

postkaart-drie-musjes-gabriela-de-carvalho


Daar zitten drie musjes in ’t sneeuwwitte woud.
Hun hartjes zijn warm en hun staartjes zijn koud.

Ze slapen er onder het sneeuwwitte dek.
De middelste mus heeft de warmste plek …

Ze wachten op iets dat hun buikje vult.
De middelste mus heeft het meeste geduld …

Waarom mag die éne in ’t midden, juist hij?
En WILLEN die andere twee wel opzij?

Dat willen ze best, hoor, en weet je waarom?
Ze zitten een poos, en dan ruilen ze om!
Dan mag er een ander in ’t midden, en dus
is elk op zijn beurt weer de middelste mus …

(Bron: Wist jij dat er schaatsende eendjes bestaan?/Holland. Illustratie: Gabriela de Carvalho)

Advertenties

Bevroren plas (Hans Dorrestijn)

Standaard

Het vriest. We zijn aan ’t schaatsen.
We zijn aan ’t schaatsen en ’t vriest.
Twee ver vooruit. Ik ben de laatste.
Ik ben de eerste die verliest.

We schaatsen eerst nog met zijn drieën.
Een vriend erbij. Die is sportief.
Ik sta wankel op mijn knieën,
maar ging toch mee. Ik heb haar lief.

Het ijs is prachtig. Zwart als marmer
met hier en daar een parel wit,
uit verre streken en veel warmer.
Nu schaats ik een verloren rit.

De lucht is grijs. Het riet is oker.
Of lichtbruin? Er tussenin.
De vrieskou maakt me kettingroker.
Wat doet mijn vriend met mijn vriendin?

Ze zijn uit het zicht verdwenen.
En ik ben haar voor eeuwig kwijt.
Ik heb half bevroren tenen
en ik haat sportiviteit.

Ik sta stil en hoor de stilte.
Zij is voor mijn vriend gezwicht.
Het ijs weerspiegelt zonder kilte
een verliezer met een rood gezicht.

Hiervan zal ik nooit genezen.
Mijn hele leven in de prak!
Het is het beste om dood te wezen.
Hoera, hoezee! daar is een wak!

(Bron: Ik heb een kind dat ik wil houden/Bert Bakker)

IJs (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Kijk, het beertje Pippeloentje
op de vijver van ’t plantsoentje.
Kijk, daar gaat hij ’s morgens vroeg.
Is het ijs wel dik genoeg?
O meneertje, o meneertje,
is het voor zo’n klein dik beertje
niet gevaarlijk op het ijs?
Pippeloentje, wees toch wijs!

Pippeloentje hoort het niet,
hij gaat door en hij geniet.
Kijk ‘m krabbelen, kijk ‘m glijden,
hij kan echt al schaatsenrijden.
’t Ene beentje! ’t And’re beentje!
en maar rijden in z’n eentje.
Maar ’t is erg gevaarlijk, hoor!
Pippeloen, je zakt erdoor!

Alle beertjes, hand in hand,
staan te kijken aan de kant.
Kijken met hun mond wijd open
hoe dat strakjes af zal lopen
met dat stoute Pippeloentje
op de vijver van ’t plantsoentje.
Want het ijs is veel te zwak
en daar heb je ’t al: krak, krak!

Help, o beertjes, kom toch gauw!
Hier een ladder! Hier een touw!
Hoor die Pippeloentje krijsen!
Hijsen jongens, hijsen, hijsen!
Hupsakee, daar is ie al!
Pippeloen staat op de wal.

Natte voetjes, ijskoud buikje.
Gauw naar bed toe met een kruikje
en een hete kop anijs.
En nou nóóit meer op het ijs!

(Bron: Ziezo. De 347 kinderversjes/Querido)

Winterdorp (Drs. P)

Standaard

Het is een dorp
Niet ver van hier
Een boerendorp
Aan een rivier
Het is niet groot
En vrij obscuur
Maar ’t heeft een naam
En een bestuur
Er is een school
Een harmonie
Een bankfiliaal
Een kerk of drie
Een communist
Een zonderling
En zelfs een zang-
vereniging

Nu is ’t er stil
’t Is wintertijd
Er heerst de griep
En knorrigheid
De dag is kort
De hemel grauw
En pas maar op
Je vat nog kou

(Bron: Tante Constance en Tante Mathilde/Nijgh & Van Ditmar)

Winterkleur (Bas Rompa)

Standaard

Kijk de tuin nou donker kijken.
Kale struiken, kale bomen.

Ja. De herfstwind heeft haar laatste
oude kleuren meegenomen.

Zou zij uitzien naar de lente
die vol nieuwe kleuren zit?

Nee. Die hoeft nog niet te komen.
Zij wacht op het winterwit.

(Bron: Binnenste Buiten/Holland)