Maandelijks archief: april 2012

Het Schetendoekse Broekje (Ger Belmer)

Standaard
Advertenties

Gevolgen van het touwje springen (anoniem)

Standaard

Een ‘opvoedkundig’ gedicht, omstreeks 1800-1825

’s Winters en bij zomerdagen
speelt de jeugd toch evenwel,
Jongens spelen met hun tollen,
of ook wel een ander spel.
Dan met knikkers, dan moet koten,
dan met hoepels, en nog meer;
Want bij elk der jaargetijden
keert ook elk spel mede weer.
Ook de meisjes spelen gaarne,
’t zij met bikkels of een pop,
En ook met het touw te springen
levert haar veel vreugde op;
Maar, ook dikwerf vele rampen:
ja, ‘k weet hier een voorbeeld van,
’t Geen ik u ook zal verhalen,
zo ’t slechts indruk maken kan
Op u, lieve lezeressen!
want gij weet dat ik u min;
En u rampen te zien treffen,
is geheel niet naar mijn zin.
Hoort dan, hoe het lieve Klaartje,
dat ook eens sprong in het touw,
Met haar been er in bleef hangen,
viel, en brak het; o! wie zou
Dit dan als vermak’lijk tellen,
’t geen gepaard gaat met gevaar;
Nee, ik wil voor zeker houden,
dat gij, en van harte, haar
Meer beklaagt als zult beschimpen;
maar, dat gij wel aan haar druk,
Met zo veel vrees zult herdenken,
wijl zij nu niet, zonder kruk,
Van haar stoel weer op kan komen,
en dus zeer gebrekkig loopt.
Dat gij dus nooit geen van allen
springen zult, is steeds mijn hoop.

(bron: Bloempjes van nut en vlijt, of aangename uitspanning voor kinderen/Groningen)

Hoe ongehoorzame kindertjes gestraft worden (Hopmanius, ps. van J. Hopman)

Standaard

Een ‘opvoedkundig’ gedicht, omstreeks 1859

Vader liet zijn huis verbouwen,
Want het zag er lelijk uit;
Jan, zijn zoon, vond dat heel aardig;
’t Was een pretje voor de guit.

Maar Papa zei aan de jongen,
Dat, als ’t volk was heengegaan,
Jantje niet, als naar gewoonte,
Op de ladders zou gaan staan.

Jantje lei zijn hand op ’t hartje,
Hief zijn blikje vroom omhoog.
“‘k Zal ’t niet doen Pa!” – zei hij ernstig,
Maar – het kleine Jantje loog.

Want toen Vader eens ging wand’len,
en ook Moe was uitgegaan,
Klom hij schielijk op de ladder,
Die het volk had laten staan.

Doch de ladder stond niet stevig;
Jan beklom die keer op keer,
Maar daar glijdt ze – Jan springt neder,
En-komt op zijn hakken neer.

Door de schok was ’t hoofd van Jantje
Helemaal in ’t lijf gezakt;
En zijn welgemaakte beentjes
Schenen ook als afgehakt.

Mie de Poes en Piet het vinkje
Riepen beiden: “Dat is erg!
Nu is ’t vroeger mooie Jantje
Een afschuwelijke dwerg!”

Toen zijn Ouders wederkeerden,
Gilde hij van puur verdriet;
Maar zijn Vader zeide koeltjes:
Neen, die dwerg is Jantje niet.

Moe zei dito van ’s gelijke,
En zij brachten hem op straat;
Akelig stond hij daar te jamm’ren,
Maar nu kwam berouw te laat.

Nu moet hij zijn volgend leven
Beed’len om een stukje brood…
O! dat ongehoorzaam wezen
Brengt veel kindertjes in nood!

(Bron: Losse bladen uit het zondenregister van ondeugende kinderen. Een keurig boekgeschenk voor deugdzame Hollandsche jongens en meisjes/Amsterdam)

Improvisatie (Jitske van Noorden)

Standaard

Zij zegt tegen hem
(mijn moeder, mijn vader)
neem jij eens die kleine
(mijn bijnaam, mijn functie)
die schommelt zichzelf nog
zo naar de zon.

Nee wacht nou, niet zo schat
(haar schudden, zijn zuchten)
hier zie je toch niets van
(zijn zuchten, haar wijzen)
die prachtige tuin!

En zit jij wel stil zo
(mijn fronsen, zijn grijnzen)
en kijk wel gewoon hè
doe maar spontaan, doe maar alsof
wij er niet zijn.

Ik weet iets beters
(zo lijkt het tenminste)
kijk: ik ben dat kind
dat speelt dat ze wolken
de baas want de wind is.

(bron:De wolken de baas/Amsterdam-Antwerpen)

Bang (Daan de Ligt)

Standaard

mijn kater is een watje
hij is voor alles bang
lawaai in het portiek
een schaduw op ’t behang

als mijn kat een hond ziet
dan klimt hij in een boom
daar zit hij dan te trillen
als in een enge droom

als het heel hard onweert
dan kruipt hij onder ’t bed
daar blijft hij uren schuilen
en jammert tot en met

het bangst is hij voor water
want dat vindt hij zo nat
hij zou het in z’n broek doen
als hij er eentje had

maar gister was hij dapper
een wesp liep op de grond
hij ving hem met een pootje
en deed hem … in z’n mond

Zomeravond (Willem Wilmink)

Standaard

(Naar het Portugees)
Kindje, slaap maar, kindje,
’t was ook zo warm deze dag.
In de schemer
zit nu een kleine egel
met zijn mooie stekels
eenzaam in het gras.

Het gras wacht op regen.
Geen takje beweegt er.
Luister naar de merel,
hoog op ons dak.

Avond vol verlangen.
De maan maakt zich klaar voor de nacht.
In de avondschemer
komt strakjes onze egel
nog een egel tegen,
liefkoost haar vacht.

Van ver wordt de merel
antwoord gegeven.
Morgen komt de regen
waar het gras op wacht.

Kindje, slaap maar, kindje,
in de avondschemer.
Hebt al slaap gekregen.
Slaap maar mijn schat.

(bron: Verzamelde gedichten/Bert Bakker)

De la musique avant toute chose (Pierre Kemp)

Standaard

Toen ik die boog daar had geürineerd
en ik het zonlicht er in ving, prees ik intens,
ver van de wijsheid, die mij was geleerd:
Wat schoon kristal is er toch in de mens!
En in extase voor het lieflijke geluid:
Welk een muziek gaat van de mens toch uit!

(bron: Verzameld werk/Van Oorschot)

Jeuk op dat plekje (Shel Silverstein)

Standaard

Het leven is lang niet altijd leuk:
nieuwsberichten en bange dromen
en dan ook nog een keertje jeuk
op een plekje waar je niet bij kunt komen.
Je draait en zwaait en wringt en wiebelt,
je ellebogen kraken ervan,
maar nog altijd jeukt en kriebelt
dat plekje waar je niet bijkomen kan.
Je draait je in kreuken en bochten en vouwen,
het lijkt of er van binnen iets knapt.
Vandaar dat zoveel mensen trouwen:
dan is er tenminste iemand die krabt.

(bron: Licht op zolder, vert. Willem Wilmink/Fontein)

Zeehond graag (Marjoleine de Vos)

Standaard

Het liefst zou mevrouw Despina zeehond zijn.
Springen, poon verschalken, applaus
voor uw lenig spek dat overheerlijk
de kant op kletst, dik verpakt geraamte,
grootogige boksbal vol vis, lekkerbek.
Binnenin zat mevrouw Despina, veilig
in glad vel, waterafstotend vermomd
als onhoekig dier, elegant toegerust voor
poolstorm en schotsen. Lachend heft ze
haar snor boven water, poseert voor
verrekijkers, zont op een zandplaat.
Gooit het leven juichend de lucht in
stuitert ze op zeewaardige kussens
haar vrolijk vet maakt elke landing zacht.

(Bron: Zeehond graag/Van Oorschot)