Maandelijks archief: december 2012

Ondersteboven (Peter ’t Lam)

Standaard

Soms pakt mijn zusje zelf haar kleren
En je ziet haar dan proberen
Alles netjes aan te doen
Zelfs de veters van haar schoen

Het zit Ondersteboven
Achterstevoren
Binnenstebuiten
Alles zit raar
Ondersteboven
Binnenstebuiten
Achterstevoren
Ik lach me naar

Soms pakt mijn vader zelf een bouwplaat
En je ziet dat het niet goed gaat
Hij lijmt alles stevig vast
Maar geen onderdeeltje past

Het zit Ondersteboven
Achterstevoren
Binnenstebuiten
Alles zit raar
Ondersteboven
Binnenstebuiten
Achterstevoren
Ik lach me naar

Soms pakt mijn moeder zelf wat lappen
Om mijn poppen op te knappen
Ze maakt rokjes en een schort
Maar je ziet dat het niets wordt

Het zit Ondersteboven
Achterstevoren
Binnenstebuiten
Alles zit raar
Ondersteboven
Binnenstebuiten
Achterstevoren
Ik lach me naar

(Bron: Ondersteboven/Callenbach)

Advertenties

Kerstavond (Elle van Lieshout/Eric van Os)

Standaard

De heer zij met u
En mocht
de Heer niet met u zijn
wendt u zich tot een dame
of tot indien u wenst een kind
tot Iets waar u zich meer in vindt
de dingen met of zonder namen
een mus een meesje in een boom
een zijden draadje of een droom
sinds lang die afspraak samen
de wens die u bewaarde
de hemel of
de aarde.

(Bron: Zwemmen met je kleren aan/Van Gennep)

Rosalind en de vogel Bisbisbis (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Kind, zei de moe van Rosalind,
als jij het thuis niet prettig vindt,
als jij blijft zaniken en blijft morren,
als jij blijft luieren en blijft knorren,
als jij blijft mokken en kniezen en zeuren,
dan zal er nog wel eens iets met je gebeuren!
Wat zal er gebeuren? vroeg Rosalind.
Dat zal ik je zeggen, zei moeder: Kind,
dan komt de vogel Bisbisbis
waar iedereen zo bang voor is.

Maar ik ben niet bang, zei Rosalind
(ze was een heel ondeugend kind),
ze bleef maar zaniken, bleef maar morren,
ze bleef maar luieren, bleef maar knorren,
ze bleef maar mokken en kniezen en klagen
totdat, op een van de najaarsdagen…
daar kwam de vogel, o, kijk toch ’s even!
Daar kwam de vogel door ’t luchtruim zweven,
dat was de vogel Bisbisbis,
waar iedereen zo bang voor is.

Hij pakte de vlechtjes van Rosalind,
en vloog er vandoor zo snel als de wind,
en Rosalind ging aan het gillen en schreeuwen
en brulde als zevenentwintig leeuwen,
daar vloog de vogel al boven de huizen.
De mensen beneden hoorden het suizen,
ze keken naar boven en riepen: O, jee,
dat beest neemt zowaar een meisje mee,
dat is de vogel Bisbisbis,
waar iedereen zo bang voor is.

De vogel vloog voort op de noordenwind.
Waar bracht hij het meisje Rosalind?
Hij bracht haar verschrikkelijk ver hiervandaan
naar een eilandje ver in de oceaan,
daar wonen wel duizend kinderen
die altijd en altijd maar hinderen
die mokken en zeuren en klagen en morren
en luieren, kniezen en drenzen en knorren
en daar, bij die stoute broertjes en zussen,
daar zit nu het meisje Rosalind tussen.
Ze blijft bij de vogel Bisbisbis
totdat ze weer lief en aardig is.

(Bron: Het fluitketeltje/Em. Querido)

Het verloren haasje (Petronella Cornelia van Alphen)

Standaard

PIETJE EN DE TUINMAN

PIETJE

Och Baasje!
Mijn haasje,
                        Ik had het zo lief,
’t Was strakjes
zo makjes,
                        Die olijke dief!
Tevreden
gaf ’t heden
                        Mij vriendlijk een poot,
En spartlend,
Dartelend,
                        Sprong ’t op mijnen schoot.
’t At pasjes
nog grasjes,
                        Zo waar als ik ’t zeg,
’t Ontslipte,
’t Ontglipte,
                        En zo was ’t weg.

DE TUINMAN

Wel heertje!
Dat leert je,
                        Hoe lief dat iets is,
Het wennen
Te kennen
                        Aan spoedig gemis,
En leert nu
Te veel u
                        Nooit hechten aan iets,
Want, Maatje!
’t Verlaat je
                        En dan hebt gij niets.

(Bron: Gedichtjes voor de jeugd)

Muziek (Jan Ligthart)

Standaard

Muziek! roept Sien. Muziek! roept Ot.
Hij rukt het hekje haast kapot,
Muziek! daar moet hij heen.
De kindren dansen op de maat,
En zomaar midden in de straat,
De dansvloer is van steen.

Een kleintje springt zo leuk in ’t rond,
En bij haar blaft een jonge hond,
Of danst die ook wat mee?
O neen, hij zingt een huilpartij,
Die hoort er voor de mooiheid bij,
O wee, o wee, o wee!

(Bron: Het prentenboek van Ot en Sien)

ot en sien

Een brief (Toon Tellegen)

Standaard

Ik heb ijskoude vingers.
(Maar ze trillen niet. Dat nooit!)
Ik schrijf een ijskoude brief,
een brief zó koud dat de lucht rondom de brief
bevriest.
Ik sta voortdurend op
om elders adem te halen.
Alles wat ik schrijf is waar.

Halverwege de brief schrijf ik plotseling,
na een lange, ijskoude opsomming:
‘En toch…’

Waardoor de brief ontdooit
en ongelezen wegstroomt
naar zee.

(Bron: Minuscule oorlogen, niet met het blote oog zichtbaar/Querido)

Mag ik je even voelen? (Geert de Kockere)

Standaard

Mag ik je even voelen?
Met mijn handen naar je kijken
en door je haren woelen?

Mag ik met mijn vingers
over je neus en langs je wangen,
jouw gezicht voor altijd
in mijn handen vangen?

Ik doe je heus geen pijn,
het is raar, maar ’t went,
wil alleen maar zien,
van oor tot oor,
hoe mooi je bent.

(Bron: https://www.facebook.com/geertdekockere?ref=stream)

Stekelvarkentjes wiegelied (Annie M.G. Schmidt)

Standaard

Suja suja Prikkeltje, daar buiten schijnt de maan,
je bent een stekelvarkentje, maar trek het je niet aan,
je bent een stekelvarkentje, dat heb je al begrepen,
De leeuwen hebben manen en de tijgers hebben strepen
en onze tante eekhoorn heeft een roje wollen staart,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dát is zoveel waard.

Slaap, mijn kleine Prikkeltje, dan wordt je groot en dik,
dan wordt je net zo’n stekelvarken als je pa en ik.
Het olifantje heeft een slurf, de beren hebben klauwen,
de papegaai heeft veren, van die groene, van die blauwe,
en onze oom giraffe heeft een héle lange nek,
maar jij hebt allemaal stekeltjes en dat is ook niet gek,

Suja suja Prikkeltje, het is al vreselijk laat,
je bent het mooiste stekelvarken, dat er maar bestaat,
de poezen hebben snorren en daar kunnen ze door spinnen,
de koeien hebben horens en de vissen hebben vinnen,
en onze neef, de otter, heeft een bruinfluwelen jas,
maar jij hebt allemaal stekeltjes, die komen nog te pas.

Winterdorp (Drs. P)

Standaard

Het is een dorp
Niet ver van hier
Een boerendorp
Aan een rivier
Het is niet groot
En vrij obscuur
Maar ’t heeft een naam
En een bestuur
Er is een school
Een harmonie
Een bankfiliaal
Een kerk of drie
Een communist
Een zonderling
En zelfs een zang-
vereniging

Nu is ’t er stil
’t Is wintertijd
Er heerst de griep
En knorrigheid
De dag is kort
De hemel grauw
En pas maar op
Je vat nog kou

(Bron: Tante Constance en Tante Mathilde/Nijgh & Van Ditmar)

Ezeltjeslied (Peter Holvoet-Hanssen)

Standaard

Sinterklaasgedicht i.s.m. Noëlla Elpers

Ezeltje over de daken
Ezeltje doorheen de sneeuw
’t Hoort wat een bengel wil vragen,
geeuwt:

– ’k Zou zo graag in wolken bijten
Rozig als suikeren goed
Kan Zwarte Piet ze niet snijden,
zoet?

Ezeltje moe van het dragen
Ezeltje oud als de wind
Het volgt de maan en het paard van
Sint

(Bron: Stadsgedicht nr. 15 PHH i.s.m. Noëlla Elpers (samen ‘Het Kapersnest’).Met een hartelijk dankjewel aan Peter!)

Winterkleur (Bas Rompa)

Standaard

Kijk de tuin nou donker kijken.
Kale struiken, kale bomen.

Ja. De herfstwind heeft haar laatste
oude kleuren meegenomen.

Zou zij uitzien naar de lente
die vol nieuwe kleuren zit?

Nee. Die hoeft nog niet te komen.
Zij wacht op het winterwit.

(Bron: Binnenste Buiten/Holland)