Maandelijks archief: februari 2015

Droge ogen (T. van Deel)

Standaard

Een verjaardag als vanouds.
Oom Freek was er en tante
Annie zat breed lachend
boven haar gebak. Zo Tòm
kom jij je óma eens verrassen
een taartje lust je zeker niet.
Haha, zal hij niet lusten nee.
Oom Tinus die onopvallend
naast de distributie zat
stak zijn hand op en zei:
goeiemorgen, wat bij hem
asjemenou betekent. Maar
heel gauw was het gewoon en
oma liet haar nieuwe lakens zien
– ja we zullen ze wel niet meer
verslijten zeg ik tegen opa –
en oom Freek vertelde Querido’s
Jordaan tot in finesses na.
Geen bladzij had hij destijds
met droge ogen kunnen lezen.

(Bron: Tirade/Van Oorschot)

Noot: Over Querido en de Jordaan

Advertenties

Papegaaijen-deuntjen (E.J. Potgieter)

Standaard

papegaai


Wat leide ik toch een leven,
Het prinsjen van de buurt!
Mijn stok is bruin gewreven,
Mijn kooi is glad geschuurd,
En ik kan klontjes krijgen,
Voor ’t praten en voor ’t zwijgen.
Ai, Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Houd mij je bekjen toe!

En zou ik mij dan storen
Aan ’t smalen van dien knaap,
Die steeds wat nieuws wil hooren,
Die me uitscheldt voor een aap,
En mij zoo graag zou dwingen,
Een eigen lied te zingen?
Neen, Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Is daar te snugger toe!

Ik ken wel mijns gelijken,
Die wand’len over straat,
Die met een degen prijken,
Die zitten in den raad;
Zij kregen ’t beste hapjen,
Door krek te doen als Papjen.
Een Lorretjen,
Kaporretjen,
Kapoe, kapoe, kapoe,
Waar past die al niet toe? —

(Bron: Gedichten van E.J. Potgieter/W.J. Thieme-Zutphen 1905)

Valentijntje (Ellie Nieman)

Standaard

Valentijntje, Valentijntje
Ziet het leven als een geintje
Valentijntje doet geen schijntje voor de kost
Valentijntje houdt van dansen en van lachen en van sjansen
Valentijntje, ach, die leeft er maar op los

’s Morgens gluurt hij door ’t gordijntje
Naar de mensen op het pleintje
Want die wachten op het treintje naar hun werk
Maar da’s niets voor Valentijntje
Hij zegt: “Werken ondermijnt je
Ik ga wandelen op het pleintje bij de kerk”

In een huisje van dat pleintje
Woont een meisje, Roosmarijntje
Valentijntje noemt haar stilletjes ‘een schat’
Met haar donkerbruine lokjes
En haar geitenharen sokjes
Is ze ’t allerliefste meisje van de stad
Dikwijls loopt hij met een kleurtje
Langs haar groengeverfde deurtje
Maar hij durft het niet te wagen
Roosmarijntjes hand te vragen

Valentijntje, Valentijntje
Ziet het leven als een geintje
Valentijntje doet geen schijntje voor de kost
Valentijntje houdt van dansen en van lachen en van sjansen
Valentijntje, ach, die leeft er maar op los

Op een dag nam hij een kansje
En hij vroeg haar voor een dansje
En hij stuntelde een beetje toen hij zei
“Roosmarijntje, hoor eens even
’k Zal je duizend rozen geven
Roosmarijntje, als je trouwen wil met mij”
En toen bloosde Roosmarijntje
En toen hoopte Valentijntje
En toen zei ze met een lachje
En toen zei ze: “Ja, wat dacht je

Valentijntje, Valentijntje
Heus, nu maak je toch een geintje
Valentijntje, ach, wat doe je me verdriet
Duizend rozen wil je geven
Maar daar kan ik niet van leven
Valentijntje, zonder centjes gaat het niet”

Valentijn heeft toen begrepen: deze keer ging er iets mis
En wanneer je nu wilt weten wat het eind van ’t liedje is
Gluur dan ’s morgens door ’t gordijntje
Want dan komt dat Valentijntje
Uit het huisje op het pleintje bij de kerk
Kust zijn vrouwtje Roosmarijntje
En zijn hele kleine kleintje
En dan stapt hij op het treintje naar zijn werk

(Bron: Vreemde Vogels, LP. Te beluisteren via: https://play.spotify.com/trackset/mediabar/47XVBj6SONpg4ybBtaLCtB/%23/0 )

Er branden zeven lichtjes (J. Willems/Zr. M. Jozefa)

Standaard

Er branden zeven lichtjes
Al flikkrend op een taart;
En Annemie komt dichtjes :
Die kleine zus verjaart !

Er branden zeven lichtjes :
Hoe Annemie ze telt !
Straks komen al de nichtjes
Voor ’t feest naar hier gesneld !

Er branden zeven lichtjes;
Maar Pa zegt : “‘k Tel er méér :
In ogen en gezichtjes
Die glazen telkens weer ! ”

Er brandt bij ’t jarig zusje
Een hàrtelichtje blij !
Ze geeft ons elk een kusje :
” Wat zijt ge goed voor mij ! ”

(Bron: Een versje voor elk leerjaar/Uitgeverij Het Fonteintje)

weet je wat ik zielig vind… (Valentine Kalwij)

Standaard

weet je wat ik zielig vind
pianolessen voor een kind
met een hekel aan muziek
terwijl ouders tiranniek
eisen dat het zich verveelt
want een half uur ladders speelt

o dan heb ik medelijden
o dan heb ik medepijn
want – ik moet er niet aan denken –
want je zal die piano zijn!

(Bron: Neem nu een paardebloem/Holland)

Vleermuis (Karel Eykman)

Standaard




Om zo te kunnen kijken
door het donker op je gevoel
door de nacht gevaar ontwijken
zeilend zweven naar je doel.
Dat je zien kan, door dat te horen
wat je tevoren hebt gefloten voor je uit.
Die radar raadt dan met je oren
naar de echo van wat je fluit.
Met armen wijd door de straten scheren
dat is wat ik van hem leren wou
om rakelings blindelings terug te keren
op de tast
naar huis
naar jou.

(Bron: Dierbare plekjes/Kinderpoëzieroute MSK Gent)

Puzzel (Tim Gladdines)

Standaard

De wekker gilde
deze dag aan diggelen.

Nu lijm ik stukken ogenblik
haastig aan elkaar:

brokken avond scheef
op losgeschrokken middaguren,
de kapotte ochtend past
overal en nergens.

Hier, dit scherfje maandag
over slapen gaan en rusten

plakt niet — telkens ketst
het op de tegels, nog meer
splinters om mijn oren.

Alle lijm is opgemorst,
kruipend moet ik
gruis vergaren.

Wachten
gapen
waken.

(Bron: Bovenwonder/DiVers)

Het meisje van Peru (Willem ten Berge)

Standaard

                                            …alles aber war still und tot wie
                                            sie selbst, aber die Sterne…

Het meisje van Peru
zit voor het raam in haar bed,
spierwit en recht,
de wereld heeft zich rondom terusten gelegd –

vanavond, in de atlas,
heeft ze stil moeten leeren,
het snijdig buigen van den bergrug der Cordilleren
om de groote Oceaan –
en zij ging schuchter de namen na:
Peru, Peru – ligt in Amerika,
dààr Cerro de Pasco
mijn stad!
een kruimel brood op het tafelblad –

en voor het raam de suizende boomen
en zwermende sterren
die nooit, nooit dichter komen –

maar het meisje van Cerro de Pasco,
in Peru,
in Zuid-Amerika,
gaat het onwereldsch zwermen van haar verlangens na,
en vleit zich lachend te droomen
op haar roetzwarte vlecht:
de wereld heeft zich rondom te rusten gelegd.

(Bron: Kinderland/Paul Brand’s Uitg. Bedrijf N.V. Hilversum 1934)