Tagarchief: mama

Mama (Frank Adam)

Standaard

Mama belt met iemand
van haar werk
en legt een knoop
in mijn sjerp.

Mama wacht op een kaartje
van de kassier
en haalt mijn snoep
uit het papier.

Mama praat met papa
terwijl ze in mijn ogen kijkt.

Mama kan altijd overal
alles tegelijk.

(Bron: Waarom ik altijd nee zeg/Querido)

Advertenties

Inventaris (Kees Spiering)

Standaard

Van papa en mama: zeker.
Van oma waarschijnlijk
ook, maar van opa meer.
Van oma overzee:
zou ik wel willen
maar slechts één keer per jaar
ben ik bij haar, en dat
is niet genoeg, blijkbaar.
Van m’n broer en m’n zus:
dat moet van mama.
Ooms en tantes: de meesten
wel lief, maar ook van hen?
(Wel, natuurlijk, van Oom Ben.)
Van de honden: verschrikkelijk veel.
En van jou? Ik denk het wel
maar ik weet het niet.
’t Is voor jou zo anders
dan voor anderen.
Ik weet het niet,
ik weet het wel,
ik weet het niet…

(bron: Een pijl door je maag/Bakermat)

Goeienacht (Bart Moeyaert)

Standaard

Met mama op de bedrand
wordt de kamer lekker warm.
Ik mag nog even liggen
in de holte van haar arm.
Ze leest me een verhaal
over de maan boven een land
waar alle mensen wonen
in een nachtblauw ledikant.
Het einde – moet ik zeggen
heb ik nog nooit gehoord,
maar zacht – dat weet ik zeker,
is vast het laatste woord.

(bron: Seizoensbrochure 2011/2012 De Maan, Mechelen)

Nog zeven nachtjes slapen ongeveer (Hetty Heyting)

Standaard

Vanmorgen was de dokter hier voor mij
Die praatte heel erg lang
Met pappie op de gang
En toen heb ik gehoord wat hij daar zei
Maar ik ben zeven en ik ben niet bang

Vanmorgen heeft de dokter daar gezegd
Nog zeven nachtjes slapen ongeveer
Dan mag ze fijn naar onze Lieve Heer
Ik dacht: O God, bestaat-ie dan wel echt?
Maar pappie zegt van wel, dus is het waar
Hij zei: Je bent heel ziek
En toen huilde hij zomaar
Ik wilde niet verklappen dat ik de verrassing wist
Maar ja, dat huilen vond ik wel een beetje raar

Ik heb een teddybeer bij mij in bed
Als ik dan dood ga mag-tie lekker met me mee
Dus wachten wij gezellig met z’n twee
Ik heb een mooie tekening voor God
Die neem ik mee, als mama dat es wist
Dan mag ik vast zo’n mooie witte jurk aan in de kist
Want ik ga nooit meer trouwen
Want ik word nooit meer groot
Dan heb ik toch een beetje feest al ga ik dood

’t Is net alsof ik met vakantie ga
Naar m’n oma, die ging dood verleden jaar
Trouwens pappie doet de laatste tijd zo raar
Die komt me dan misschien wel achterna
Zeg mam, ik zal niet huilen als ik je mis
Want als je zeven bent moet je zelf kunnen doodgaan
Maar doe je in de kist een heel klein schemerlampje aan
Want ik ben bang als het zo donker is

(bron: Roltrap naar de maan/Novella)

Ruim je kamer op (Robert Long)

Standaard

Eens in de zoveel tijd
voel ik al nattigheid
dan komt mijn moeder naar boven
en altijd zegt ze dan:
‘Joh, wat een zwijnepan,
’t is gewoon niet te geloven
’t Kan zo niet langer, dat is geen gezicht
straks groeit je kamer nog helemaal dicht
’t Is smerig en vies’
Maar ik weet precies
m’n spullen te vinden en waar alles ligt

Ruim je kamer op, ruim je kamer op
Zie je zelf niet wat een troep?
Je hebt toch ogen in je kop?
Een varkensfokkerij
maakt niet zo’n zwijnerij als jij
Geen kast meer die sluit
alle rommel puilt eruit
Dit is de laatste keer dat ik het zeg
Als je niet opruimt gooi ik morgen
eigenhandig alles weg

Pa heeft een kennis
waarmee die op tennis zit
iedere zaterdagmorgen
Dan vraagt-ie mijn moeder kwaad
waar ze z’n spullen laat
waar ze ze op heeft geborgen
Mijn vader besteedt aan het zoeken geheid
bij ons thuis per week wel een uur van z’n tijd
Het lijkt misschien raar
Maar helaas is het waar
als mijn moeder iets opruimt, dan ben je het kwijt

Ruim je kamer op, ruim je kamer op
Zie je zelf niet wat een troep?
Je hebt toch ogen in je kop?
Het wordt nou toch te gek
Het komt zowat tot aan je nek
Ik waarschuw niet meer,
’t Was de allerlaatste keer.
Ik heb je honderdduizend keer verteld
als je niet opruimt dan verdwijn je in je eigen
vuilnisbelt.

(bron: Kinderen voor Kinderen/VARA)

De vader als hulplijn (Willem Wilmink)

Standaard

voor Rutger

Ver van mijn bed staat een stad vol huizen,
er zit een jongen in zo’n huizenrij
woordjes te leren, sommen uit te pluizen.
En deze jongen is een zoon van mij.

Zijn vorige rapport viel bitter tegen,
daarna heeft hij zeer goed zijn best gedaan:
zijn zevens werden achten, zelfs een negen.
Helaas…de onvoldoendes bleven staan.

Zou het weer een gevolg zijn van de scheiding,
als deze jongen straks klas drie niet haalt?
Onder mijn strakke vaderlijke leiding
was hij niet in de wiskunde verdwaald.

Ik sprak mijn ex, want er moest bijles komen.
We zijn in een intiem gesprek geraakt.
Maar zij die eens de vrouw was van mijn dromen,
heeft van die bijlessen geen werk gemaakt.

Mijn zoon, kon ik de afstand maar doorbreken,
en als een vader, tevens kameraad,
deze troostrijke woorden steeds weer spreken:
kijk, jongen…a² + b² = c².

(bron: Roltrap naar de maan/Novella)